Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. — beraadslaging.

99

genomen worden, dat èn de defensie ter zee, èn de neutraliteitshandhaving in verband met het leger geheel moet worden georganiseerd.

Het is niet voldoende om een torpedovloot te bouwen, maar alles wat op haar gebruik betrekking heeft, moet met het oog op haar wijze van strijden worden bestudeerd en daarop moet de voorbereiding van de verschillende, te nemen maatregelen voor den strijd der torpedovloot worden gebaseerd. Dat berust dus ook op een innige samenwerking van zee- en landmacht, en, zoo opgevat, acht ik, als men met beperkte middelen moet werken, de torpedovloot te verkiezen boven een zwakke artillerievloot, en het is voor mij zeer de vraag of niet juist het sterk zijn in dit soort van lichte vaartuigen, welke niet de hoofdmacht uitmaken van de vloten der groote Mogendheden, juist bij de verdediging van Indië ons zelfs een zekeren voorsprong op onze tegenstanders zou geven.

Ook in de Marinevereeniging werd door op het gebied van het torpedowezen deskundige officieren verklaard, dat zij een flinke torpedovloot stelden boven een zwakke artillerievloot. De Gouverneur-Generaal" vraagt aan het slot van zijn aan ons overgelegd advies met bezorgdheid, welk lot aan onze pantserschepen in oorlogstijd zal beschoren zijn, en welk nut er van te verwachten is, waarbij hij zeer waarschijnlijk het oog heeft op de door den Minister voorgestelde pantserschepen. Ook ik stel die vraag met bezorgdheid, en mijn antwoord kan ik al dadelijk geven: dat antwoord is onbevredigend en ik concludeer, dat wij dergelijke schepen niet moeten hebben.

De artillerievloot van den Minister is zwak. Van alle zijden wordt dat aangetoond en door deskundigen aangedrongen op grootere schepen.

De Minister beroept zich in deze op den Raad van Defensie, als zou deze zich vereenigd hebben met de hoofdeischen, door den Minister aan een schip voor de verdediging van NederlandschIndië gesteld, al had de Raad dan ook eenige opmerkingen.

Ik zal mij in het misverstand, dat in dezen tusschen den Minister en den Raad of enkele leden van den Raad schijnt te bestaan, niet begeven. Het doet er ten slotte, wat de zaak zelf betreft, niet toe, behalve natuurlijk voor de daarbij betrokken personen. Wel wil het mij voorkomen, dat de Raad van Defensie toch wel genoeg tusschen de regels door laat lezen, dat een grooter, krachtiger schip hem welkom zou zijn, al moest hij voor oogen houden de beoordeeling van een schip met de eischen zooals de Minister die wilde. Dit komt m. i. duidelijk uit in de toelichtingen, die met betrekking tot die eischen gegeven en in bijlage D van de Memorie van Toelichting op de begrooting voor 1912 te vinden zijn; daar zegt de Minister dan ook duidelijk, dat hij „kleine pantserschepen" bedoelt en alleen bereikbaar acht

De heer Thomson: De Raad van Defensie had zich over de

Sluiten