Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

verhooging v. h. vide hoofdstuk der staatsbegrooting

zoo lange jaren achterlijk op het gebied van kalibergrootte, heeft eindelijk ingezien, dat het toch ook zwaardere stukken moest kunnen vervaardigen, die, al hebben ze de nadeelen van de hulsafsluiting, practisch bruikbaar zijn. En ziet, nu vervallen bij ons plotseling de vroeger geuite bezwaren van verscheidenheid in reservedeelen, enz. Nu roept men ook om 30V3 cM. Doch elders is men reeds veel verder gegaan, waar men kanons tot 35,6 cM. en zwaarder bezigt.

Wanneer men kennis neemt in de „Mittheilungen" van een artikel over „Portschritte in Marine-Artillerie-wesen" (No. XI van 1911), dan ontwaart men, dat een kaliber van 30j/2 cM. nog maar de uiterste grens vormt naar beneden; van 34 en 35,5, ja zelfs van 40,50 cM. leest men daar.

Ik zal het lijstje niet voorlezen, de Minister kent dit alles even goed, ja beter dan ik.

Wanneer men daarmede rekening houdt, zal men ook inzien, dat het maar weinig waarde heeft indien men zich op het oogenblik warm maakt voor een schip van 15 000 ton. Waarom zijn dan die marine-officieren, die zich los voelden van financieele overwegingen, niet gekomen met een super Dreadnought; waarom hebben zij niet gevraagd een schip van minstens 26 000 ton met stukken van 35 cM., met den eisch, dat onze dokken en havengelegenheden dienovereenkomstig worden gewijzigd? Dat was een standpunt geweest. In de nota van den heer Cohen Stuart is reeds duidelijk te kennen gegeven, dat wij in onze koloniën eskaders kunnen verwachten van de allernieuwste schepen. Dat is reeds gezegd in 1906. Wanneer men dergelijke schepen kan verwachten, dan moet men daartegenover gelijkwaardig materieel kunnen stellen. En wanneer men zich het bezit van een dergelijk gelijkwaardig materieel niet kan veroorlooven, dan moet men naar ander materieel uitzien, waarmede men iets kan beginnen. Dat is een consequentie waartegen niets ter wereld is in te brengen.

En ik breng dan ook. allen lof aan die jongere onder de zee-officieren, die tot op het oogenblik, dat zij onder de oogenblikkelijke suggestie van het schip van 15 000 ton kwamen, zich hebben opgemaakt om te verdedigen een verhooging van onze weerkracht met deugdelijk materieel, dat wij ons kunnen aanschaffen, en dat niet krachteloos is zelfs tegen „Dreadnoughts" en „super-Dreadnoughts", de mannen van mijn- en torpedoverdediging. Als ik hier dan zoo'n schip van 15 000 ton bestrijd, dan weet ik zeer goed, dat er mannen zijn, zooals bijv. de geachte afgevaardigde uit Goes, die mij dadelijk te gemoet voeren, dat zij die daarvoor geen geld willen geven, eigenlijk vaderlandloozen zijn, dat dit menschen zijn die niets over hebben voor de verdediging van het vaderland. Ik refuteer reeds bij voorbaat een dergelijke verdachtmaking. Juist omdat ik gevoel de noodzakelijkheid om in tijd van oorlog den menschen iets te geven waarmede zij wat kunnen beginnen, daarom kant ik mij tegen al dergelijke plannon, waarvan het gevolg

Sluiten