Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

veru00ging v. h. vi^ hoofdstuk dek staatsbegroot1ng

gedrukt, maar wanneer de geachte afgevaardigde zich uitspreekt voor een eigen zelfstandige marine' voor Indië, dan vereenigt hij zich in dit opzicht met het voorstel van de Staatscommissie van 1906, die ook voor Indië een zelfstandige marine noodig achtte.

En, Mijnheer de Voorzitter, welke vloot er ook voor Indië zal moeten gekozen worden, m. i. zal het steeds hierop uitloopen, dat het zal moeten zijn een zelfstandige vloot voor Indië, omdat de behoeften voor Nederland en voor Indië zoozeer uiteenloopen, dat de twee marines niet aan elkaar geschakeld kunnen blijven. Het maakt een groot verschil of een groote Mogendheid, zooals Engeland, als het ware van uit het moederland de koloniën als het ware met haar groote vloot beschermt, of wij in ons geval, die dat niet kunnen. Dat is bij ons het geval immers niet; de vloot die wij voor de bescherming van ons territoir noodig hebben, zal, hoe men er over denken moge, betrekkelijk klein zijn, ook wanneer die gedeeltelijk bestaat uit artillerieschepen. Maar de vloot in Indië, wanneer die van eenige beteekenis zal zijn voor de verdediging van Indië, zal groot moeten zijn of van de inrichting der Nederlandsche afwijken; die twee vloten kan men nooit met elkaar in verband houden, noch wat het materieel, noch wat het personeel betreft. En dat is een van de redenen waarom ik meen, dat het hebben van een zelfstandige marine voor Indië aanbevelenswaardig is.

Wanneer men Indië hoe langer hoe meer gaat beschouwen als een complex, inderdaad als een Rijk, dan is er geen reden waarom ten slotte een zóó groot Rijk op een andere manier zou moeten worden verdedigd dan bijv. een ander eilandenrijk, Japan. Wanneer men nagaat wat Japan moet uittrekken voor zijn verdediging en voor zijn marine, dan kan men nagaan hoe het in Indië zou moeten zijn, wanneer men dat inderdaad zou willen verdedigen door middel van de marine.

De heer Kuyper heeft een berekening gemaakt over uitstel van aanbouw, wanneer de motie van den heer Lokman zou worden aangenomen; men kan natuurlijk allerlei berekeningen daaromtrent maken, maar het komt mij voor, dat de zijne inderdaad wat al te pessimistisch is, en dat men zich daardoor niet behoeft te laten afschrikken om de motie aan te nemen.

De Minister heeft zich zooeven voor zijn aandeel pertinent tegen de aanneming van de motie verklaard, en ook hij heeft gezegd, dat die motie vertraging zou teweegbrengen.

De Minister is niet zoover gegaan als de geachte afgevaardigde uit Ommen, maar heeft gezegd, dat door aannemingvan de motie de aanbouw stopgezet zou worden. De nadruk waarmede de Minister dat gezegd heeft, zou indruk kunnen maken op iemand die geneigd is aan de meening van den Minister in dezen groote beteekenis te hechten. De Minister zal echter bij rustige overweging zelf moeten toegeven, dat ofschoon hetgeen hij zeide op zich zelf juist is, hij ei- te veel

Sluiten