Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. - beraadslaging.

255

meenen, dat er een heel groote fabriek moest worden gebouwd en dat zonder deze de zaak niet behoorlijk zou kunnen worden gedreven, zou hij zich dan geroepen achten om, ten einde de aandeelhouders eenigen tijd gerust te stellen, nu alvast een klein fabriekje te bouwen;'naderhand zal het wel weer worden afgebroken, maar er moet toch iets gebeuren; anders worden de aandeelhouders ongeduldig? Natuurlijk zouden de aandeelhouders antwoorden; dank u wel, want dat nuttelooze werk moeten wij betalen, en daaraan hebben wij geen lust.

Daarom komt het mij voor, - en de Minister zal hetzelfde moeten zeggen - dat wanneer wij staan voor een zoo groote quaestie als deze -- een quaestie van f 7 OOö 000 — wij eerst moeten vragen, of deze zaak noodig is en dat, indien wij dit niet zeker weten, wij met het aanschaffen van het schip dienen te wachten.

Tot mijn leedwezen heeft echter de Minister gezegd, dat hij van de motie niets wil weten. Psychologisch is dat volkomen begrijpelijk. Een Minister werkt met zijn Departement. Hij heeft jaren lang, afgaande op vroegere gegevens, zich in den bestaanden toestand ingewerkt. Tegenstand vindt bij hem geen waardeering en ook niet bij zijn departementale raadgevers. Dit gaat zoover, dat ik daar even de aandacht op wil vestigen. In zijn beantwoording van de Nota van den heer Van Wassenaer van Catwijok schrijft de Minister (bladz. 35 der Memorie van Antwoord):

„In dit verband zij er nog op gewezen, dat het voor hen, die geen verantwoordelijkheid hoegenaamd dragen, altijd zeer gemakkelijk is om te betoogen, dat dit of dat er eigenlijk zijn moet, daar de gevolgen van hunne voorstellen nimmer voor hunne rekening komen, doch dat ondergeteekende. die in deze de volle verantwoordelijkheid draagt, in alle opzichten rekeningzal hebben te houden met de gevolgen van alle door hem in te dienen voorstellen. Hij acht het dan ook in verband hiermede doelloos om nog nader in te gaan op de bezwaren, welke door den geachten steller der nota tegen het door hem voorgestelde schip zijn aangevoerd."

Mijnheer de Voorzitter! Dit is nog al teekenend, vooral waar het wordt gezegd .tot een oud-lid van de Staatscommissie van 1906, door de Regeering zelf aangewezen om een onderzoek in te stellen, wel niet speciaal over deze quaestie, maar toch ook mede daarover en waar deze persoon ook Kamerlid is. Maar ik kan mij begrijpen, welk een weerzin het wekt aan het Departement, wanneer daar een lid een ongevraagd advies geeft. Echter, Mijnheer de Voorzitter, wij hebben zelf ook onze verantwoordelijkheid, wij moeten -- of het misschien dwaas is, daar kunnen wij niets aan doen - over wat ons wordt voorgelegd, oordeelen en stemmen.

En dat de Kamer overigens zelf zich van die verantwoordelijkheid bewust is, bleek nog uit het debat van verleden Vrijdag, toen de geachte afgevaardigde uit Leeuwarden, den

Sluiten