Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294

wijziging en aanvulling pensioenwet.

het genot van hooger pensioen te stellen; dit zou feitelijk neerkomen op het verleenen van terugwerkende kracht aan de Pensioenwet van 1902. Waar nu echter bij de behandeling van die wet in de Tweede Kamer breedvoerig van gedachten is gewisseld over het geven van terugwerkende kracht en ten slotte alle amendementen, welke met dat doel werden ingediend, door de voorstellers werden ingetrokken, zoodat besloten werd de pensioenen, welke op grond van de wet van 1851 waren toegekend, te laten zooals zij waren, daar zal het duidelijk wezen, dat er thans - omstreeks tien jaren later - voor de tegenwoordige Regeering hoegenaamd'geen aanleiding bestaat om voor zoodanige. pensioensherziening stappen te doen. ö Welke kosten daarmede gemoeid zouden zijn, is moeilijk zonder het verrichten van eene ingewikkelde 'becijfering té zeggen, en waar de Regeering aan het ter hand nemen 'van de bedoelde herziening niet denkt, wordt vertrouwd, dat de leden, welke de vraag naar eene globale raming stelden, haar wel van het geven van een antwoord op die vraag zullen willen ontslaan.

Van het aantal jaren, gedurende hetwelk de bedoelde toepasselijkverklaring haren invloed op den pensioenslast zou doen gelden, zal men zich eenigszins eene voorstelling kunnen maken, indien men weet, dat de officieren, die gedurende de laatste maanden van het bestaan der wet van 1851 krachtens die wet ter zake van langdurigen dienst werden gepensionneerd, thans ongeveer den leeftijd van 68-72 jaar hebben bereikt.

uit den aard der zaak moet bij het begrooten van den bedoelden termijn, echter ook gerekend worden met hen, die ter zake van lichaamsgebreken en dus op-jeugdiger leeftijd den militairen dienst met pensioen hebben verlaten; daaromtrent is echter moeilijk een betrouwbaar middencijfer te geven Aan officieren, die na 1 April 1911 gepension neerd werden, zrjn door de Regeering uit den aard der zaak geen toezeggingen betreffende gunstiger pensioensbepalingen gedaan.

Evenwel waren de voornemens der Regeering na 11 September 1911 volledig bekend uit den inhoud der meergenoemde Nota, behoorende bij de Memorie van Toelichting van het Wetsontwerp betreffende de positieverbetering der offiicieren.

Wetsontwerp litt. B.

Voor zoover de in het Verslag opgenomen beschouwingen en opmerkingen op het wetsontwerp litt. B. betrekking hebben, zijn zij door de ondergeteekenden in het voorafgaande beantwoord.

De Minister van Oorlog,

H. Colijn. De Minister van Marine. J. Wentholt.

Sluiten