Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

443

aanstichters in deze zaken veelal burgerpersonen zijn, hetgeen zooveel mogelijk wordt gedaan om hen buiten het bereik van den militairen strafrechter te houden.

De heer De Meester In de tweede plaats een woord

over de bonden en vereenigingen van ambtenaren en militairen.

De heer Van Karnebeek wilde deze bonden alleen toelaten voor zoover zij werken op philantropisch-paedagogisch terrein, en hij gaf te' kennen, dat daarin zoo noodig zelfs door wetswijziging zou moeten worden voorzien. Inmiddels adviseerde hij deze bonden niet te erkennen.

Met die beschouwing kan ik mij niet vereenigen, en ik wensch te constateeren, dat, voor zoover mij bekend is, de Regeering tot dusver anders heeft gehandeld dan de heer Van Karnebeek wenscht, want ik meen te weten, dat de Minister van Oorlog afgevaardigden van bonden van militairen meer dan eens in zijn kabinet heeft ontvangen. Ik meen zelfs te weten, dat hij 'bij zijn optreden uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven, dat zijn deur voor dezulken open stond. Mijn standpunt in deze is nog steeds dat, hetwelk ik in 1907, toen ik daar zat achter de groene tafel, heb ontwikkeld in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag op hoofdstuk I van de Staatsbegrooting voor 1908, en nader heb geadstrueerd bij de beraadslagingen die toen zijn gehouden; een standpunt, dat destijds, ik durf zeggen bij bijna alle leden van de Kamer instemming heeft gevonden.

De heer Heemskerk, de tegenwoordige Premier, sprak daarover het volgende; men vindt het op bladz. 374 van de Handelingen:

„Ik geloof, dat, nu de Kamer in het Voorloopig Verslag aan de Regeering uitdrukkelijk haar meening omtrent die quaestie heeft gevraagd en de Regeering daarop heeft geantwoord, het niet meer" dan billijk en behoorlijk is, dat uit de Kamer daarop eenige weerklank komt.

„En nu wil in de eerste plaats zeggen, dat ik in hoofdzaak tegen de strekking van het antwoord door de Regeering gegeven geen bezwaar heb. De Regeering stelt zich op het standpunt, dat het recht van vereeniging en vergadering door de Grondwet wordt erkend, behoudens de beperking daarvan door de wet m het belang van de openbare orde, welke beperking wij vinden in de wet op het recht van vereeniging en vergadering; dat derhalve de ambtenaren het recht van vereeniging en vergadering hebben, en dat men hen daarin niet kan belemmeren, mits zij slechts blijven binnen de perken van de wet en hun vereeniging dan ook hebbe een geoorloofd doel. Ten tweede, dat een vereeniging heeft het recht van petitie. Ik kan tegen deze twee grondgedachten van de Regeering geen bedenking maken, en, zou ik niettemin toch eenige kantteekeningen op het antwoord van de Regeering mij willen veroorlooven, dan bedoel ik daarmede dan ook niet, dat het door de Regeering geteekende beeld misteekend is, maar alleen, dat er hier en daar toch wel een trek aan ontbreekt".

Sluiten