Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

446

uittreksel uit de alg. beraadsl. O/d. staatsbegr. v. 1913.

een communis opinio; dat zij flink zal optreden waar ongepast wordt gehandeld en orde en'tucht dreigen te worden ondermijnd, maar zij niettemin zal hoog houden de vrijheid van vereeniging en vergadering, waaraan nu eenmaal de Nederlander bij uitnemendheid zoo innig is gehecht.

De heer van der Voort van Zijp: Mijnheer de Voorzitter! In tegenstelling met den geachten afgevaardigde uit den Helder wensch ik te verklaren, dat ik met groote instemming heb gehoord den geachten afgevaardigde uit Utrecht I, den heer van Karnebeek, die er bij de Eegeering op heeft aangedrongen, dat maatregelen zouden worden genomen in zake de tucht op onze vloot, die, gelijk de laatste tijden gebleken is, zeer veel te wenschen overlaat. Het is opmerkelijk, Mijnheer de Voorzitter, dat van liberale zijde slechts de geachte afgevaardigde uit Utrecht bij de Regeering op het nemen van die maatregelen heeft aangedrongen en de geachte afgevaardigde uit den Helder de Regeering heeft gewaarschuwd in dezen voorzichtig te zijn.

Toch verwondert mij dit niet. Wie de artikelen in „De Telegraaf" heeft gelezen onderteekend „Th.", kon al vermoeden hoe de houding van de vrijzinnige partijen in dezen zou zijn.

De groote verdienste van deze artikelen is wel, dat zij met bijzondere juistheid weergeven wat in de laatste tijden onder het mindere personeel van de vloot is voorgevallen, maar de eigenaardigheid van die stukken is ook dit, dat daar geconstateerd wordt, dat wij hebben: „een roode vloot" en dat daar uitgesproken wordt, dat die vloot niet „rood" zou behoeven te zijn, maar „oranje" kon wezen, doch dat een uitweg uit dien feitelijken toestand niet wordt aangewezen.

Wanneer ik den geachten afgevaardigde uit den Helder goed heb gehoord, deelt hij het standpunt door die artikelen van Th. ingenomen. Maar hij zegt: wees voorzichtig, ga niet tegen de bonden in, want dat zal u niet baten, tracht liever door een verandering in de passagiersregeling de ontevredenheid weg te nemen, die onder het marinepersoneel leeft.

Mijnheer de Voorzitter! Het heeft mij eenigszins verbaasd, dat de geachte afgevaardigde uit den Helder inderdaad nog gelooft, dat door een verandering in de passagiersregeling of door het uitkeeren van hooger soldijen en door het aanbrengen van eenige materieele verbeteringen in dezen toestand veran dering zal kunnen komen.

De oorzaak van dezen geest op de vloot ligt dieper. Opmerkelijk is het wanneer men de leden van de sociaaldemocratische arbeiderspartij hoort, hoe doodonschuldig zij in dezen zijn. Men heeft geen recht eenig verwijt tot haar te richten. Men weet immers hoe op een vergadering van den Bond van minder Marinepersoneel een motie van afkeuring is aangenomen in zake de sabotage die is gepleegd. De bond gedraagt zich behoorlijk en wij juichen het toe, dat men tegen sabotage waarschuwt.

Sluiten