Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGINGEN.

471

advies niet gebracht heeft de vruchten, die men dan toch van een goede politiek in deze quaestie zou mogen en moeten verwachten. En waarop kwam dat advies eigenlijk neer? Dat advies kwam hierop neer, dat men zulke bonden en speciaal den Bond voor minder marinepersoneel maar moest laten begaan, en dat, wanneer dan ongeoorloofde en ongepaste handelingen van schepelingen voorkwamen, men dan straffend moest ingrijpen. Dus niets van voorkoming, van verhindering, van verhoeden, dat" men in zulk een toestand komt; neen, laten gaan, en als het misloopt, dan er op slaan.

Het wil mij voorkomen dat dit toch waarlijk geen verstandige staatsmanskunst is. Neen, de geachte afgevaardigde zeide in zijn rede ook nog iets anders, waarmede ik veel beter kan instemmen. Hij zeide: men moet, wanneer zich zulke handelingen onder het personeel voordoen, nagaan waar de diepste oorzaak ligt. Ja, dat moet men, en als men dat doet, zal men ongetwijfeld vinden, dat die diepste oorzaak ligt bij het gestook van den bond. Het gestook van den bond, waarbij openlijk uitkomt — de Minister heeft ons nog daarop gewezen — dat die bond zijn gezag wil stellen tegenover het gezag van de Overheid.

Dat dit zoo is, dat die bond daarnaar streeft en dat dit het doel is van dien bond, wordt ook buiten deze vergadering in de pers van verschillende kanten in het licht gesteld, en een schel licht heeft de Minister daarop laten vallen door zijn mededeelingen uit de acta, die van dien bond zijn uitgegaan.

De geachte afgevaardigde uit den Helder eindigde zijn betoog met een beroep te doen op de gehechtheid van ons Nederlanders aan de vrijheid van vereeniging. Mijnheer de Voorzitter, ook mij is de vrijheid lief. Ik zou haast zeggen : ik kan haar niet missen: menigmaal in mijn loopbaan heb ik daarvan bewijs gegeven. Ik begeer haar voor mij zelf, ik begeer haar ook voor anderen. Maar het ergste gevaar voor de vrijheid bestaat in het misbruik daarvan en de gevaarlijkste vijanden van de vrijheid zijn zij, die tot misbruik daarvan aanzetten.

Ik kom nu tot de vraag, die ik nog aan den Minister heb te doen. Indien ik den Minister wel begrepen heb, betoogde hij de mogelijkheid en eventueel de noodzakelijkheid van een tuchtrechtelijk verbod aan de manschappen der vloot om lid te zijn van een bond, die werkt zooals de Bond van minder marinepersoneel tegenwoordig doet.

De geachte afgevaardigde uit Weststellingwerf heeft naar aanleiding van dat betoog van den Minister de vrees geuit, dat indien men zulke maatregelen ging nemen, dat zou kunnen leiden tot geheime genootschappen. Ik houd die vrees voor hersenschimmig. Geheime genootschappen hangen samen met, zijn eigenlijk afhankelijk van den volksaard, en bij de Germaansche volkeren waartoe wij behooren, vindt men al heel weinig, om niet te zeggen absoluut geen neiging tot zoo iets. Wel vindt men de geheime genootschappen in groote mate, als iets inheemsch, als iets dat uit den volksaard zelf voortvloeit,

Sluiten