Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEMORIE VAN ANTWOORD.

529

pagina 59 der Memorie van Antwoord betreffende de Marinebegrooting voor 1912 ten aanzien van eene soortgelijke opmerking. Ook voor bem is het nog eene vraag, waarin de maatregelen zouden moeten bestaan om den toeloop van meer en van begaafder jongelieden te bevorderen, tenzij dan door verbetering van de' positie van zeeofficier, waartoe het voornemen bestaat voor zooveel de bezoldiging betreft, en waaraan mede bijdraagt de jongste verhooging van de pensioenen der officieren.

F. Verschillende uitgaven.

Art. 49. Zeemilitie.

De aanwijzing van de manschappen, die bestemd zijn om voor de lichting 1913 bij de zeemilitie te worden ingelijfd, heeft plaats gehad naar de volgende regelen.

Overeenkomstig art. 35 van het Militiebesluit II {Staatsblad 1912, n°. 276) zijn door den ondergeteekende in October j.1. van de Commissarissen der Koningin in de provinciën opgaven ontvangen van al de lotelingen, die zich hetzij aan den voorzitter van den keuringsraad, hetzij aan eenige andere daarvoor aangewezen autoriteit voor de zeemilitie hadden opgegeven. Deze opgaven zijn vervolgens toegezonden aan den directeur en commandant der marine te Willemsoord, door wiens zorg uit de opgaven zijn uitgezocht zij, die naar de daarin vermelde gegevens betreffende beroep, genoten onderwijs, woonplaats enz. voor de verschillende qualiteiten bij de zeemilitie het meest geschikt waren te achten.

Hierbij werd gevolgd eene ingevolge art. 36 van gemeld besluit door den ambtsvoorganger van den ondergeteekende vastgestelde „Beroepenlijst", aangevende voor elke qualiteit, welke categorieën van personen daarvoor bij voorkeur dienen te worden aangewezen. Voorts werden zooveel mogelijk buiten aanmerking gelaten zij, die blijkens de opgaven door de voorzitters van de keuringsraden, welke autoriteiten eveneens in het bezit waren gesteld van een exemplaar van genoemde lijst, niet of althans niet in de eerste plaats voor den zeedienst geschikt waren geoordeeld.

Aangezien het getal der lotelingen, die zich hadden opgegeven, 2932 bedroeg, waarvan 1847 door de voorzitters van de keuringsraden in de eerste plaats voor de zeemilitie geschikt waren geacht en derhalve het benoodigd aantal zeemiliciens (400 man) verre overtrof, was het mogelijk uit het getal der opgegevenen de alleszins meest gewenschte elementen voor de zeemilitie te vinden en behoefde geen gebruik te worden gemaakt van de bij art. 71 der Militiewet gegeven bevoegdheid om zoo noodig ook tot aanwijzing over te gaan van manschappen, die zich niet voor de zeemilitie hebben opgegeven.

Sluiten