Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

558

marinebegrooting voor het dienstjaar 1913.

Indië zijn gearriveerd, en zij vragen dan te mogen repatrieeren om dan in Nederland aangekomen een weekje vacantie door te brengen bij vrienden en familie en daarna weer het dienstverband te verlengen, dan geef ik aanstonds en onvoorwaardelijk toe, dat dat een misbruik is dat moet worden gekeerd. Maar dat misbruik kan worden gekeerd op andere wijze, bijv. door te bepalen dat wie er op staat na beëindiging van zijn dienstverband, maar vóór het einde van zijn driejarig verblijf in Indië naar Nederland te worden teruggezonden, in Nederland niet weer voor verlenging van zijn dienstverband in aanmerking komt dan na verloop van bijv. twee maanden. Dan weet men van te voren, dat men twee maanden lang aan den kost moet zien te komen, en ik geloof dat dat een voldoend lang tijdsverloop is om ieder die het eenvoudig bij wijze van misbruik zou willen ondernemen daarvan af te schrikken.

Maar wij moeten het niet onmogelijk maken voor matrozen die hun contract behoorlijk hebben nageleefd om na beëindiging van dat contract in de burgermaatschappij terug te keeren. Reeds vroeger heb ik over deze zaak in de Kamer gesproken met Minister Wentholt, en toen heeft deze Minister mij te kennen gegeven, dat ik het niet bij het rechte eind had, want dat, indien de menschen die teruggezonden wilden worden aan het einde van hun dienstverband, dat maar van te voren te kennen gaven, zij niet kort voor het einde van dat dienstverband naar Indië zouden worden gestuurd. Nu is die zaak voorbij, niet alleen omdat ze plaats heeft gehad in het najaar van 1911, maar omdat sinds dien tijd inderdaad meer rekening is gehouden met den afloop van 'den dienstijd, zoodat die zaak daarmede in orde is. Maar voor mijn eigen rechtvaardiging wensch ik toch even op deze zaak terug te komen, opdat men niet zal kunnen zeggen: gij slingert hier maar verwijten in de Tweede Kamer en wanneer door de omstandigheden een begrooting van Marine toevallig niet ter sprake komt, rept gij er met geen woord meer van.

Ik had goede reden deze zaak te bespreken. In het najaar van j;1911 is vertrokken naar Indië het pantserdekschip „Zeeland". Drie matrozen waren aangewezen voor vertrek met dat schip, nl. Middelkoop, Blijdensteijn en Hoogendijk, die alle drie te kennen hadden gegeven niet te willen reëngageeren. Of het schip naar Oost- of naar West-Indië ging weet ik niet zeker. Deze matrozen zijn toch gezonden, hoewel hun dienstverband bijna geëeindigd was. Alleen Hoogendijk is ten slotte niet meegegaan, omdat hij op het oogenblik van vertrek in het hospitaal lag. Ik deel dat mede, opdat dit zal kunnen worden gecontroleerd.

Minister Wentholt, over deze zaak sprekende, heeft er op gewezen, dat er waren twee categorieën van matrozen, die het verzoek richtten om teruggezonden te worden, de eene categorie van menschen wier dienstverband inderdaad eindigde,

Sluiten