Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

560

marinebegrooting voor het dienstjaar 1913.

Het tweede punt - meer zal ik er niet van noemen - is dit. Recht op voortdurend pensioen wegens ongeschiktheid voor den dienst niet in en door den dienst veroorzaakt, wordt alleen verkregen bij een werkelijken dienst van minstens 10 jaar. Dit artikel is wel het meest belangrijk, omdat het het meest wordt toegepast. Een verwonding, in en door den dienst verkregen, geneest menigmaal oogenschijnlijk, maar heeft sleepende gevolgen en de pensioenraad beslist meestal, dat die gevolgen niet zijn veroorzaakt in en door den dienst! En als die menschen dan geen tien jaar in werkelijken dienst in rekening kunnen brengen, worden zij afgescheept met een tijdelijk pensioen. Dientengevolge is aan menigen armen stakker bitter onrecht aangedaan en men vraagt nu, den eisch van 10 jaar werkelijken dienst tot 5 jaar terug te brengen.

De zaak is hier herhaaldelijk besproken en de Minister Wentholt heeft het verlangen ook niet van de hand gewezen als onnoodig of onuitvoerbaar. Hij heeft in zijn Memorie van Antwoord omtrent de begrooting voor het dienstjaar 1912 op bladz. 47 gezegd:

„Wanneer eventueel tot herziening van de Pensioenwet 1902 mocht worden overgegaan, zal daarbij worden overwogen, of en in hoeverre met de in het adres uitgesproken wenschen rekening zal zijn te houden.

Dit is nu een zeer zuiver staaltje van het op de lange baan schuiven van noodzakelijke verbeteringen, waarvan men zelf de noodzakelijkheid inziet.

Maar daar komt nog deze zeer ergerlijke omstandigheid bij. De memorie van Antwoord waarin het voorgelezene werd medegedeeld, is gedateerd 30 November 1911 en bij Koninkliike boodschap van 24 November 1911, zes dagen te voren, is aangeboden het wetsontwerp tot wijziging en aanvulling van de Pensioenwet 1902. Daarin komt onder meer voor het voorstel tot wijziging van de standpensioenen ingevolge artkel 15. Men zou zeggen: daar komt dus de Minister al dadelijk zijn belofte aan dat minder personeel inlossen. Maar neen het gold alleen de officieren.

Het antwoord van den Minister Wentholt aan den bond van onderofficieren en korporaal-stokers, dat hun wenschen zouden worden overwogen, wanneer eventueel de Pensioenwet mocht worden herzien, is gedateerd 6 Juni 1911 en toen was de Minister druk bezig met de genoemde wijziging ten bate van de officieren. Dit gedrag tegenover adressanten is in parlementaire taal niet te qualificeeren; maar men verbaze zich niet over den ontevreden geest.

Ik moet nu spreken over den geneeskundigen dienst bij de Marine en over de hygiëne.

In het Voorloopig Verslag van het jaar 1912 werd geklaagd over yerwaarloozing en werd de stelling uitgesproken dat het militair en doctor zijn, onvereenigbaar was. Hierop antwoordde de Minister Wentholt op pag. 39: juist het belang van den

Sluiten