Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

689

zich illusies maakt van den toestand zooals die zal worden wanneer hij zou hebben ingevoerd een militiemarine. Maaier leeft in den Minister voor deze militiemarine een groote sympathie. In de Kamer echter ontmoet dit denkbeeld vrij algemeen tegenstand. Zelfs schijnt het dien tegenstand ook te ontmoeten bij den geachten afgevaardigde uit Weststel-

lmgw^eer 'volksmarine, zegt daar de Minister. Daar wil ik juist op komen. Geheel duidelijk is mij het standpunt van den geachten afgevaardigde niet. Hij zegt op bladz. 2128 van de

"HanNu nioge 'men zich vleien met de gedachte, dat men toch zekere voordeelen kan verbinden aan het dienstnemen bij de marine, zoodat er liefhebbers genoeg zullen zijn die hun diensttijd bij de zeemilitie willen uitdienen, ik geloof, dat die weg afgesloten is." jj„j„ Onaanks die voordeelen meent de geachte afgevaardigde dus toch dat die weg is afgesloten, dat er dus van die zeemilitie nooit iets zal komen? Maar met de welsprekenheid die wij van den geachten afgevaardigde gewoon zijn, heeft hii de peroratie van die rede besloten met de woorden : „Of gï daar hebt een vrijwilligercorps of miliciens - rood worden zij allemaal, en de eenige toekomst voor de marine is ten slótte niets anders dan een volksmarine."

Nu weet ik niet wat de geachte afgevaardigde onder dat woord „volksmarine" verstaat, maar als dat ernst is en het woord heeft eenige beteekenis, zal het wel zijn een marine gebaseerd op een militiewezen, analoog aan den term „volksleger" dien wij hier wel gebruiken, d. i. een leger, gebaseerd op° mïlitiedienst, met uitsluiting van beroepssoldaten. De geachte afgevaardigde heeft er ook zooeven iets over gezegd, maar - hij hotide het mij ten goede - het is mij daardoor niet duidelijker geworden. Wanneer de gelegenheid zich nog eens voordoet, zou ik gaarne vernemen hoe hrj zich die volksmarine eigenlijk voorstelt. Ik ben het gaarne met hem eens, maar van de militiemarine zou ik voorloopig in het geheel niets moeten hebben. .

Nu wordt het vermoeden, dat de Regeering hiernaar streeft, met name eenigszins aannemelijk gemaakt door het betoog van den heer Michels in „Het Volk" Deze schryft naar aanleiding van „de Russische circulaire", dat deze weikelrjk ge richt is op het doel om tot een militie te komen, en hij geeft daarvoor "als argument - een ^^^J^S^^. schijnt - dat de Regeering steeds minder vi«willigere aan neemt, dan zii krijgen kan. Hij schrijft: • In 1909 meldden zich aan 1197 jongens waarvan aangenomen 365- in 1910 werden er 837 van de 1498 aangenomen, en m Sll slechts 192 van de 933; dit laatste jaar alleen te Leiden.

Zijn al die afgewezenen te jong en ongeschikt? Geen mensch, die het gelooft.

Sluiten