Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGINGEN.

093

teiten daar niet langs heen mogen loopen maar, zooals de Minister te recht heeft gezegd, die grieven moeten overwegen en er zoo mogelijk aan te gemoet komen »e Mimstei 1heef gezegd dat hij dien weg uit wil, en ik hoop met hem dat daarvan goede gevolgen zullen gezien wordeMimster heeft medegedeeld, dat hij een suppletoire begrooting zal ra dienen Ik hoop met hem dat deze zal kunnen bijdragen tot bevordering van den goeden geest. Maar ook buiten ^ de begrooting zijn er elementen die op dien geest grooten invloed lunnen hebben. Ik heb daarover met dezen Minister reeds van gedachten gewisseld bij de behandeling van de Militiewet. Ik bedoel vooral den dagelijkschen, omgang tusschen meerderen en minderen en hun verhouding die naar mijn mening, a blijft men in de positie van meerdere en mindeie toch ka.me Schappelijk kan zijn. Het is juist deze verhouding du zulk een eunstigen invloed kan hebben op den gang van zaken en ?k zott del Minister willen vragen, of hij ook: daaraan aandacht wil wijden. Ik ben er van overtuigd, dat zijn luime e?viTngen op uit gebied hem ook bij de behandeling van dit onderwerp bij de marine een veilige gids kunnen zijn.

De Minister heeft in zijn Donderdag j.1. gehouden redevoering geprofeteerd, dat de militaire vereenigingen hoe langehoe meer onder sociaal-democratischen invloed zullen fomen en dat de betrouwbaarheid van de vloo daardoor zou teloorgaan. Ik zou daar tegenover willen stellen u o m ning dat wanneer men inderdaad alles doet wat in büluk 3' gedaan kan worden en als men de miitaire vereenig ragen binnen de perken houdt, het personeel bij de vloot zijn foede" oude tradities zal weten te handhaven. En waar de Minister Donderdag aan het slot van zijn re de ze de dat op het oogenblik bij onze vloot geen plaats is vooi Ohnstelflke Jongelingen, waarmede hij waarschijnlijk ook bedoelde, fatsoenlijke jongelingen, dan kom ik daartegen op. Ik geloof S de Meister in 'het vuur van zijn to^»^;^ gegaan. Dat het bij de marine zoover zou zijn, dat, daa? geen fatsoenliik iongmensch zou kunnen dienen - een toestand dfen ?k noJi!? heb gekend - kan en mag ik niet gelooven en ik begin met dat tegen te spreken. f Wat de invoering van de mihtiemarme betief ik: geloot niet, dat het oogenblik daar is om daarop diep in te gaan. Het is bij den Minister nog een toekomstbeeld en ik hoop, dat

h6t dMnnheerlijdVeenVoorzitter! In eersten termijn heb ik den MiniS'ninchtg gevraagd omtrent de ^^ffiX en wel aangaande de afmetingen ra verband met het binnen doorgaan van den Helder naar het zuidelijk ft°ntl^ niet altijd zou gewaarborgd zijn. Ik heb^da^ toen me* ige uitvoerigheid behandeld en ik hoop, dat de Mimstei daarop in zijn repliek zal willen terugkomen.

4.4.

M.-B. 1912-1913.

Sluiten