Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

718

marinebegrooting voor het dienstjaar 1913.

Ik zou den Minister in overweging willen geven de loonen met f 0.20 per dag te verhoogen; ook dan zal men nog niet kunnen spreken van weeldeloonen. Wil de Minister daarnaast dan nog een bekwaamheidsloon handhaven, dan is mij dit wel, als de loonen op alle leeftijden maar evenredig worden verhoogd. Deze Minister houdt nu zoo angstvallig vast aan een bekwaamheidsloon, maar het is dan wel merkwaardig, dat de Minister van Waterstaat voor de post- en telegraaf beambten, de overleden Minister van Justitie voor de rijksveldwachters en wegwerkers, en de Minister van Binnenlandsche Zaken voor de onderwijzers heelemaal niet praten over bekwaamheidsloonen, maar geven kindertoeslag. De Minister zal mij toegeven dat het verwekken van veel kinderen absoluut niet te maken heeft met bekwaamheid in het vak. Onder het volk zegt men: dat kan de eerste de beste boerenjongen wel en toch geven verschillende Ministers omdat je voorspoedig bent in het produceeren van kinderen, meer loon. Deze Minister doet dat niet, hij zegt: als je meer loon wilt hebben moet je bekwamer zijn in je vak.

Dit is het verschil en dat wijst er op dat in het Ministerie ontbreekt een eenheid in de toepassing van middelen tot loonsverhooging. Mijnentwege moge de Minister echter vasthouden aan een hoogei' bekwaamheidsloon, boven het loon op 35-jarigen leeftijd bereikbaar, mits hij dan maar zorge dat het aanvangs- en leeftijdsloon zoodanig worde verhoogd, als ik heb aangegeven, n.1. met 20 cent per dag.

Ten slotte nog dit. Deze Minister is in de pers geprezen als een man die niet houdt van halve maatregelen. Wanneer ik zijn maatregelen overzie in het belang van de uitbreiding van het leger, moet ik dit toegeven, maar ik hoop dat de Minister nu ook eens uit den hoek zal komen met een loonregeling voor de menschen aan de werf, die er ook van getuigt, dat hij wars is van halve maatregelen, zoodat ook ik hem als sociaal-democraat de hulde zal kunnen brengen, met doortastende en niet met halve maatregelen te zijn gekomen, waar het betrof de loontoestanden der arbeiders.

De heer Roodhuyzen: Mijnheer de Voorzitter! Ik kan mij aansluiten bij den geachten afgevaardigde uit Franeker wanneer hij zegt, dat hij het betreurt dat de bespreking van deze zaak altijd op een 'ongelegen tijd geschiedt. Naast de schaduwzijde, hieraan verbonden, is er echter een lichtzijde, en wel de gansch nieuwe wijze waarop de Minister tot nog toe deze zaken behandelt. Hij wenscht gelukkig uit eigen oogen te zien en heeft aan de vertegenwoordigers van het personeel van de werven een audiëntie toegestaan, die niet minder dan twee uren duurde, waarbij hij getracht heeft zich geheel op de hoogte te stellen van de wenschen vau het personeel, een wijze van optreden, waar ik den Minister enorm dankbaar voor ben, omdat wij allen weten, dat, wan-

Sluiten