Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

•zakelijke gegevens, maar de aanwending er van, 't zij goed of niet goed. ligt in het persoonlijk karakter. In handen van een slecht karakter wordt kennis misbruikt, beginselen staan op een slechten grond, en richting wordt als een valsche vlag vertoond. En op welk gebied de criticus of'journalist zich bewegen moge, 't is altijd het persoonlijk karakter, dat den stempel op zijn werk drukt, 't is altijd de invloed van dat karakter, die de maatschappij in hare aanraking met de drukpers ondervindt.

Van daar dat de basis, door mevr. de Genus aangenomen, en de eischen door haar aan de vertegenwoordigers der publieke opinie gesteld, maar al te zeer recht van bestaan hebben, en het ware wel te wenschen, dat de drukpers de regelen, aan het hoofd van ons opstel geplaatst, als devies in haar vaandel opnam. Zeer zeker, mevr. de Genlis idealiseert-, en menigeen vraagt lachend, »hoe «groot de voorraad wel zou wezen van die ame* douces , lincapablrs d'envie, die zoo hoogst respectabel gewapend »zijn met finesse, bonhommie, imefranchi.se courageuse, une »ingénieuxe adresse, un goüt parfait, de la bonté et vne »invariaUe érjuité!" O goed! we lachen mede, maar — Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd, en als de drukpers nu maar een begin maakt met de tegenvoeters dier voortreffelijke zielen een weinigje buiten de deur te houden, dan komen we al een eind op weg

Ook met de kunstcritiek, die hoogst moeielijke zaak en ware Achilleshiel voor de drukpers, hier, elders, overal.

Nog niet lang geleden heeft een Duitsch schrijver, Dr. Juxrus Alsleben, in de Nene Zeitschrift für Musik (1870, n°. 44 en 45) zijn hart gelucht over den toestand der muzikale critiek in Duitschland. Schoon is die toestand alles behalve, en dientengevolge komt de schrijver tot hetzelfde resultaat als mevr. de Genlis , d.i. hij stelt strenge eischen, eerst aan het karakter, daarna aan de kennis van den criticus. Voorop zet de schrijver, wat critiek is. Beoordeelingskunst of ook heoordeelingswetenschap, die als theorie en praktijk samen een geheel moeteu uitmaken en op grondige kennis en geschiktheid moeten gebaseerd zijn; verder is ze eene geweldige macht, wanneer ze, haar doel kennende, met ware humaniteit en wetenschap haar ambt uitoefent; ten laatste is de critiek voor de ontwikkeling der kunst onontbeerlijk en van groot gewicht, maar ook hoogst moeielijk in de uitvoering en dikwijls ondankbaar. Daarom moet ze niet alleen subjectief zijn, d.i. eene meening uitdrukken wat goed of wat slecht is, maar ook objectief, en dus den weg aanwijzen tot verbetering van datgene, wat gebrekkig is.

Daarna passeert S. de revue over het personeel van kunstbeoordeelaars, en heeft bijzonder het oog op de recensenten der dagbladen, die hij onbarmhartig te lijf gaat. De ergsten onder deze broederschap noemt hij eene massenhafte Rotte Korah, bestaande uit mislukte Literaten en andere lieden, die eigenlijk niets van muziek verstaan, maar de critiek ter hand nemen om wat geld te verdienen en op hun manier nog wat te beteekenen. Dit zijn de proletariërs van het vak, en dat redactiën van dagbladen aan zulke lieden de pen toevertrouwen, dit heet reeds de kunst demoraliseeren. En wat het geval nog verergert, is dat de geringe betaling nog tot omkoopbaarheid aanleiding geeft. (1)

Na vervolgens meer gedetailleerd allerlei slechte gewoonten van recensenten behandeld te hebben komt Dr. Alsleben tot de beschrijving van het karakter en verdere eigenschappen, die de criticus bezitten moet.

(1) Rechtvaardigheid gebiedt evenwel de vraag, geldig voor alle landen: Is het de dagbladpers alleen, die zondigt, of heeft de muzikale pers ook schuld?

In het karakter moeten aanwezig zijn: welwillendheid, eenvoudigheid en natuurlijkheid, daarbij fijn gevoel om zich goed uit te drukken, zoowel bij afkeuring als bij goedkeuring, ernst en gestrengheid tot handhaving van de rechten der kunst, maar steeds gepaard met rechtvaardigheid. Vooral komt het aan op vastheid van karakter. De criticus is in zijne aanraking met kunstenaars en kunstautoriteiten aan velerlei verzoeking blootgesteld; van daar dat hij bestand moet zijn zoowel tegen vleierij als tegen intimidatie. Ten laatste komt nog in aanmerking zelfverloochening. Het is een hooge eisch, die den mensch gesteld wordt, om dan, wanneer hij de middelen tot vergelding in de hand heeft, van die middelen geen gebruik te maken en aangedane beleedigingen te vergeten. De criticus moet aan dien eisch voldoen. Hij moet om der waarheid wille het werk van een vijand kunnen prijzen, en dat van een vriend laken. Niet altijd wordt zulk eene onpartijdigheid gewaardeerd, ja zelfs zal de criticus grove miskenning kunnen oudervinden. Daarom moet zich bij hem nog aan zelfverloochening, geduld en gelijkmoedigheid paren.

Men ziet, dat de eischen door mevr. de Genlis en Dr. Alsleben gesteld, wij wel overeenkomen, en dat ze te zamen genomen een karakter vooronderstellen, dat aan het volmaakte grenst. Toch is nog één eisch vergeten , en die eisch is van groot gewicht.

De kunstrechter mag namelijk niet ijdel zijn. In dezen eisch liggen vele andere opgesloten. Want ijdelheid is zulk een groot kwaad, dat ze andere goede hoedanigheden bijna omverwerpt, en den kunstrechter voor zijn werk geheel ongeschikt maakt. IJdelheid maakt toegankelijk voor vleierij, ijdelheid maakt ligt geraakt en doet den kunstrechter zijne zelfbeheersching verliezen ; ijdelheid eindelijk maakt driftig en geeft aanleiding tot wraakzucht. Deze enkele ongelukkige karaktertrek doet de achting voor zijn persoon verliezen en is de oorzaak, dat de positie van den kunstrechter geheel en al bedorven wordt.

't Is haast niet mogelijk, dat één persoon aan al die eischen beantwoordt, maar waar de som dezer eischen bij benadering gevonden wordt, daar verdient dan ook de bezitter, 't zij kunstrechter, 't zij publicist in 't algemeen, de hoogste achting en het grootste vertrouwen.

Spreken we thans over de muzikale critiek in Nederland. In tegenoverstelling met Duitschland, waar veel te veel geschreven wordt, ook op muzikaal terrein, is Nederland zeer arm aan muzikale penvoerders. Dit is een natuurlijke reden, waarom dagbladen en tijdschriften geen ruime keuze van muzikale medewerkers kunnen hebben en er ook geen hooge eischen aan muzikale critiek gedaan kunnen worden. En kan nu de buitenlandsche pers, bij grooten voorraad van penvoerders, menigmaal geen goede keuze doen, dan mag de Nederlandsche pers hier te minder hard gevallen worden.

Maar daarom mogen nog niet alle eischen van den kant van het publiek, of alle leidende gedachte bij behandeling der kunstcritiek van de zijde der pers aan een kant gezet worden. »Die zoekt, die vindt" is een spreekwoord , dat wel niet altijd bewaarheid wordt, maar het verschijnsel heeft zich toch voorgedaan, dat, terwijl de eene courant door hare kunstcritiek aauhoudend in onaangenaamheden is verwikkeld, de andere courant soms vrij goede penvoerders heeft weten te bemachtigen, of althans zich buiten onaaugeuaamheden heeft weten te houden.

De leidende gedachte moet ook hier zijn: » let op het persoonlijk karakter." Waar deze grondregel

Sluiten