Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

weid, terwijl bij voorkomende vacatures de aanvulling moest geschieden door middel van invitatie. Uit deze laatste verkiezingsmethode ontstaan — 't spreekt van zelf — figuranten.

Dit brengt immoraliteit in een Bestuur. Behoorlijk tegenwicht bestaat er niet; de heerschende minderheid ziet heimelijk laag neder op de meerderheid, en wanneer het gebeurt, dat de minderheid door buitensporige gedragingen botsing veroorzaakt met andere personen en vereenioingen. dan komt de slechte samenstelling en karakterloosheid van zulk een Bestuur op ergerlijke wijze voor den dag.

De geschiedenis van het Afdeelingsbestuur van 1862-1866 heeft dit bewezen.

In 1862 aanvaardden twee leden van het Afdeelingsbestuur de Redactie van dit Tijdschrift zonder te vragen, of die werkkring zich verdroeg met hunne betrekking als kunstbestuurders. De critiek veroorzaakte onaangenaamheden, maar er werd niet gevraagd , of hierdoor ook het genoemde Bestuur kon gecompromitteerd worden. Omgekeerd wilden de overige leden van het Bestuur volstrekt niet inzien, dat ze door de buitensporigheden hunner collega's later in de klem zouden raken; ze lieten de zaken vier jaren lang maar op hun beloop, tot dat er eindelijk aan het einde van 1S65 botsing met een ander kunstbestuur ontstond. Ware er nu in het Afdeelingsbestuur besef van moraliteit geweest, dan hadden alle 8 leden moeten begrijpen, dat ze gezamenlijk moesten aftreden. Zes leden toch hadden alles stilzwijgend toegezien en niet bij tijds gezorgd, dat de aanstootgevende leden uit hun Bestuur verwijderd werden. Indirect waren ze dus medeschuldigen; een gezamenlijk ontslag ware hier én welvoegelijk én moreel geweest! Doch dit gebeurde niet. Ben der schuldigen werd eenvoudig verwijderd, de andere medeschuldige bleef zitten, en de overige leden behielden hunne zetels insgelijks, als of hun de zaak volstrekt niet had aangegaan.

Zeventig leden van de Afdeeling, tot eene buitengewone vergadering bijeengekomen, zagen die handeling stilzwijgend aan. Wel een bewijs, dat er geen besef van constitutioneele welvoegelijkheid meer was. Hoe kon 't ook? De leden der Afdeeling waren in vele jaren niet bijeen geweest.

In een slecht bijeenpassend Bestuur is niets aan meer gevaar onderhevig, dan het doen van benoemingen. Dit is gebleken bij de benoemingen tot directeur der Zangvereeniging, in 1863 en 1865. Er waren h'otterdamsche toonkunstenaars, die alle recht hadden voor die betrekking in aanmerking te komen, maar daarop werd volstrekt geen acht geslagen. In 1863 werd evenwel in zoover nog recht gedaan , dat de gelegenheid tot mededinging werd opengesteld. Doch in 1865, toen de betrekking op nieuw vakant werd, was er van kalm of behoorlijk overleg geen sprake, en het Afdeelingsbestuur - vergetende, dat men geen landgenooten mag achteruitzetten, ten zij voor een vreemdeling , die specialiteit is in het vak, waarvoor de benoeming geschiedt , - benoemde een buitenlandscb toonkunstenaar, die, - andere bekwaamheden daargelaten - als dirio-ent nog geheel zonder ondervinding was. Deze daad van het Afdeelingsbestuur gaf bewijs van onbekwaamheid, omdat men getoond had niet te begrijpen dat genie de direction ook eene bijzondere aangeboren gave is, en ten tweede van onkieschheid, omdat men niet alleen landgenooten beleedigde maar ook den benoemden kunstenaar in een onaangename positie bracht.

Hartstocht en buitensporigheid van de penvoerende minderheid uit het Afdeelingsbestuur verergerden ook nu de zaak. Ondervond genoemd Bestuur blijken van afkeuring over zijne handelwijze, omgekeerd ontbrak het

niet aan lage wraaknemingen tegen personen, die volstrekt geen aanleiding daartoe gegeven hadden. Het Opera-comité, de heer Saak en wij waren de voorname zondebokken. Zoo richtte later nog , in een vlaag van jaloezie en kwaadaardigheid, een dezer penvoerders - toen geen lid meer van het Afdeelingsbestuur - in de Caecilia van 1 Maart 1868 eene brutale interpellatie tot het toenmalige Bestuur van Eruditie Musica over de uitvoering van een onzer symphonifè'n, en dat in zulke hoogmoedige en vernederende termen, dat het doel: persoonlijke beleediging maar al te duidelijk voor den dag kwam. Ook nu werd de Maatschappij tol bevordering der Toonkunst gecompromitteerd , want de bevriende penvoerder had geheel vergeten, dat de Rotterdamsche Afdeeling nog geen enkele noot van ons had opgevoerd, dat er nog eene oude eereschuld van 1858 onafgedaan was gebleven, en dat het Afdeelingsbestuur in al die 10 jaren van ons als toonkunstenaar niet de minste notitie had genomen. Die peu-extravagance was dus al zeer ongelukkig. (1)

Sedert 1869 is er wel eenige verandering gekomen maar geen verbetering. Het Afdeelingsbestuur heeft eenige oude leden verloren, de aanvulling is zeer waarschijnlijk op de gewone wijze bij invitatie geschiedt, en het tegenwicht is nog minder dan vroeger. Hoofdzakelijk berust alle werkzaamheid op en alle invloed bij één persoon den Secretaris - den man, aan wiens ijver en werkzaamheid, bij een minder heerschzuchtig karakter, hooge

waarde zou moeten toegekend worden, maar nu !

Bovendien, geen verhouding.

Onaangenaamheden zijn nog niet geheel geweken. Ook dezen winter waren onhandigheden van een bevriende pen der Maatschappij weder aanleidende oorzaak. Er zijn harde woorden gevallen in vergaderingen en in de pers. Ook is reeds tweemalen, met duidelijke zinspeling op de bestuurders der Maatschappij, in de pers een woord gebezigd, waardoor een ranghebbend college in de achting van het publiek moet dulen enz.

Dat moet ophouden, en eene algeheele eu wettige vernieuwing van het Afdeelingsbestuur is noodzakelijk.

Tot zooverre de Rotterdamsche Afdeeling.

Voor andere Afdeelingen bestaat het zelfde gevaar. En moge in de eene Afdeeling wat meer constitutioneel leven zijn dan in de andere, groot kan dit verschil niet zijn. Heeft men in andere Afdeelingen minder van onaangenaamheden vernomen dan te Rotterdam , het is omdat elders de muziekwereld niet die buitengewone karakters heeft kunnen aanwijzen, die hier een ongelukkige rol hebben gespeeld. Doch dit is een toevallige omstandigheid, en overal elders kan gebeuren, wat hier gebeurd is.

De eisch voor de geheele Maatschappij moet dus gesteld worden:

De Maatschappij tot bevordering der 'Toonkunst moet even als andere muziekvereenigingen bestuurd worden door wettig gekozen personen , maar niet door personen , die op onwettige wijze zijn samengevoegd.

De Maatschappij tot bevordering der Toonkunst als muziekcollege van rang moet bestuurd worden door mannen, die de achting voor dit college weten op te houden, en het geven van aanstoot weten te vermijden.

(1) ,Men mag geen rechter zijn in lijn eigen zaak." Dezen jundlschen regel zal men ons onder 't oog brengen. Het zij zoo. Toch meenden wij , ter wille van de volledigheid dezer ziektegeschiedenis , dit ons persoonlijk rakend incident niet te mogen achterwege laten. Dit voorval toch deed helder uitkomen , welke trivialiteiten kunnen ontstaan, wanneer in een Bestuur een flauwhartige meerderheid zich jaren lang niet heeft doen gelden. En dan ! - Ook de zelfverloochening heeft grenzen.

Sluiten