Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

to;s

de heer H. S. van Leeuwarden en de heer Bletzaeher van Hanover.

Op den tweeden dag, eigenlijk meer een concertavond, zal het orkest de A-mol Sinfonie van Mendelssohn, en de Léonore ouverture van Beethoven ten gehoore brengen.

De reeds genoemde artisten, benevens mej. Meysenheym van 's G-ravenhage, en de heeren Coenen en Bekker van Utrecht, zullen verschillende solo's voordragen.

Breda. — De derde uitvoering der zangvereeniging «Aurora" in het seizoen 1870—71, had op 22 April plaats, in den schouwburg, met het volgende programma: i. Andante espressivo uit het Trio Op. 121 van H. Marschner, voor piano, viool en violoncel. 2. Variations van Ehode, te zingen door mej. Meysenheym. 3. Aria uit het oratorium Josua van Handel, te zingen door den heer Jeltes. 4. Twee duettines van E. Hiller: a. Abschied. b. Mailied. Te zingen door mej. Meysenheym en den heer Jeltes. 5. Oratorium Elias, 2de gedeelte van P. Mendelssohn Bartholdy.

De laatste uitvoering in het seizoen is voor deze zangvereeniging gewoonlijk de meest belangrijke, omdat daarin het resultaat wordt gelegd der studiën van den geheelen winter. Zoo was dan de 22 April jl. de dag waarop het 2e deel van den Elias werd uitgevoerd en dat wel met zulk een goeden uitslag als wij nog niet dikwijls van deze vereeniging hadden gehoord.

Van het begin tot het einde werkten de koren uitmuntend, met eene prijzenswaardige kracht, vastheid en schakeering; de schoonste belooning voor den onvermoeiden ijver van den directeur, den heer Umland.

De baspartij werd door den heer Theod. Jeltes uit 's G-ravenhage vervuld. Het bewijst, dunkt ons, voor het juiste inzicht van dezen verdienstelijken zanger, dat hij niet dan ongaarne de partij van Elias op zich genomen had. Inderdaad kon men zijne goede eigenschappen beter waardeeren in de aria uit Handel's Josua, geheel voor zijne stem geschikt en in de beide duetten van Hiller, waarvan vooral het tweede uitstekend veel genoegen gaf.

Lag de indruk die mej. C. Meysenheym verleden jaar in het eerste deel van dit oratorium gemaakt heeft, nog versch in het geheugen, van den lof haar toen gegeven, behoeft niets te worden teruggenomen, nu zij in het tweede gedeelte optrad.

De dilettanten, die met groote bescheidenheid hunne namen op het programma verzwegen, werkten aUe met loffelijken ijver mede tot den goeden uitslag van het geheel; zonder aan de verdiensten van wie ook te willen te kort doen releveeren we inzonderheid het pianoaccompagnement, ondersteund door het strijkkwartet, en de welwillende medewerking van een aantal leden der liedertafel «Breda's mannenkoor."

Gent. — Wij vernemen dat de inschrijvingen voor den koorzang-wedstrijd, te houden door het WillemsGenootschap, de verwachtingen hebben overtroffen. Ondanks de betrekkelijk weinig gunstige tijdsomstandigheden, bedraagt het getal der maatschappijen die er deel aan zullen nemen meer dan 50; een cijfer dat zelden in vorige prijskampen werk bereikt. In al de af deelingen zullen talrijke en uitmuntende mededingers optreden; heeft men ditmaal, ten gevolge der gebeurtenissen , noch duitsche noch fransche maatschappijen te verwachten, een aantal noord-nederlandsche hebben integendeel de oproeping van het Willems-Genootschap

beantwoord, en zullen de prijzen aan de beste belgische gezelschappen komen betwisten.

Parija. — Daniël Francois Esprit Jacques Auber, de beroemde componist, die den'13 Mei alhier overleed, werd op 29 Januari 1782 te Caen, waar zijne ouders zich toevallig ophielden, geboren. Als vertegenwoordiger der fransche nationaal-opera was bij de onmiddelijke opvolger van Boieldieu, en gedurende omstreeks eene halve eeuw wist hij den volkstoon in zijne talrijke werken in te weven, dien te veredelen en tot een hooger peil op te voeren. Is hij ook al door enkele groote opera's afgeweken van de baan welke hij uitsluitend voor zich scheen afgebakend te hebben, toch heerscht ook daar, bijzonder in La muette de Portici, het volkselement in groote mate en, is het daarin behandelde onderwerp al niet fransch, dan erkent men evenwel in de richting waarin het stuk is gecomponeerd den geest welke de voorlooper is geweest van de stemming die zich twee jaren lateibij de Juliomwenteling heeft geuit. Auber's neiging tot de muziek openbaarde zich reeds vroegtijdig; onder Ladurner maakte hij groote vorderingen in het pianospel en begon hij reeds te componeeren. Ten einde in den stand zijns vaders, die koopman was, te worden opgeleid vertoefde hij eenigen tijd op een kantoor te Londen; deze levenswijs beviel hem echter niet en hij keerde naar Frankrijk terug waar hij, uit gebrek aan bepaalde werkzaamheid, op nieuw de toonkunst ter hand nam. En ofschoon hij reeds toenmaals door zijn ontluikend talent de aandacht op zich begon te vestigen verkreeg hij weldra voor zich de overtuiging, dat alleen diepgaande en aanhoudende studiën hem op de hoogte konden brengen welke hij zoo gaarne bereiken wilde. Hij stelde zich onder de leiding van Cherubini en toen hij daarna weder aan eigen krachten was overgelaten, trad hij, toenmaals dertig jaar oud, voor het parijsche publiek op met eene operette Leséjour militaire getiteld. Zijn werk beviel niet en toch moest hij den eenmaal ingeslagen weg vervolgen omdat toenmaals zijn vader kwam te sterven in vrij berooide omstandigheden. Nu verkeerde Auber in de verplichting om voor zijn levensonderhoud te werken en ofschoon aan zijn tweede opera Le testament et les billets doux geen gunstiger onthaal te beurt viel dan aan zijn eerstelling, maakte toch reeds de opera in drie bedrijven, La bergère chatelaine, in 1820 opgevoerd, zoo veel opgang dat men van dit oogenblik zijn roem voor gevestigd kon houden. Een veertigtal opera's volgde op de genoemde, dus ongeveer een per jaar, en ofschoon er enkele zwakkere werken onder dat aantal voorkomen, blijft zijne scheppingskracht altijd zeer opmerkelijk.

Van Auber's opera's zijn de volgende voortdurend op het repertoire gebleven en niet in Frankrijk alleen, ook in den vreemde: La neige (1823); Léocadie (1824); Le Macon (1825); La muette de Portici (1828); La fiancée (1829); Pra Diavolo (1830); Le Dieu et la Bayadère (1832); Le serment ou les fauxmonnayeurs (1833); Gustave ou le bal masqué (1833); Lestocq (1835); LeCheval de bron ze

(1836) ; L' ambassadrice (1836); L e domino noir

(1837) ; Le lac des fées (1839); Les diamants de la couronne (1841); La part du diable (1842); La Sirène(1844);Haydée (1847); Marco Spada (1852); Jenny Bell (1855); La fiancée du roi de Garbe (1864) de laatste der vele van zijne opera's comique waarvoor Scribe het tekstboek heeft geschreven. Zijne laatste werken, in 1867 en 1869 ten tooncele gevoerd . heten Le premier jour de bonheur en Le rêve

Sluiten