Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

750

DE HOLLANDSCHE REVUE.

doorloopt met de gele vlek van 't netvlies en dan den spierzin verder het vraagstuk laat oplossen.

Er is veel oefening noodig geweest, om den spierzien aldus te ontwikkelen en hoever men het daarin brengen kan, bewijzen ons de schattingen van op dat gebied geoefeude personen; een zeeman ziet met één oogopslag, hoever een schip verwijderd is; een metselaar weet terstond, hoeveel steenen ergens op een hoop staan, enz. enz.

Men krijgt eerst een denkbeeld van de moeilijkheden in bet probleem, dat de spierzin oplost, als men nagaat, hoe verschillend de inspanning van verschillende spieren is, ook bij het teweegbrengen van een gelijk effekt; zoo kost het meer moeite, om ons oog b.v. 20° naar boven of naar beneden te draaien, dan evenveel zijwaarts en ook hierbij is er nog verschil tusschen links en rechts, voor elk der beide oogen anders. Maar hiermee komen we dan ook aan de grenzen van het bewonderenswaardig vermogen van den spierzin; iedereen kent de aardigheid, om aan te geven, hoever een hooge hoed, die op tafel staat, tegen den muur zou komen, als hij op den grond stond; wij wijzen geregeld anderhalfmaal te hoog en dit wordt verklaard uit het feit, dat wij vertikale afstanden altijd te groot schatten, omdat het zooveel meer spierinspanning vcreischt voor het oog, om een vertikalen dan om een even grooten horizontalen afstand te doorloopen; de spierzin doet ons dus den vertikalen weg te lang en de grootte van den hoed aan den muur te hoog aangeven. Tegen deze algemeen aangenomen verklaring zou men twee bedenkingen kunnen inbrengen: vooreerst moest men dan niet alleen den hoed, maar eveneens den vcrtikalen afstand op den muur te groot zien, waardoor het optisch bedrog zou komen te vervallen: maar ten tweede wijst de proefneming op een fout van 50 pCt. en het genoemde verschil, dat tot verklaring dienst moet doen, geeft hoogstens een fout van 12 pCt. Men bedenke daarom, dat de hoogte van den hoed op tafel in haar natuurlijke grootte, de beneden tegen den muur aangegeven afstand uit de schuinte bekeken wordt en men zal gemakkelijk door een eenvoudige figuur kunnen inzien, dat dan eeu fout van 40 a 50 pCt. zeer waarschijnlijk wordt.

*

* *

TRANSFORMISME EN HEREDITEIT BIJ DEN MENSCH.

„Welk mensch van gezonde zinnen zou den invloed der herediteit, zoo op geestelijk als op lichamelijk gebied, willen betwisten ?" aldus begint Mr. J. R. Valckenier Kips een „essay" over bovenstaande onderwerp in „ De Tijdspiegel" van November.

Kunnen we allen in onze omgeving niet dik. wijls dien familietrek naspeuren, geslachten lang ?

vraagt hij. Kunnen we niet juristenfamilies, professorenfamilies aanwijzen, waarin onderscheidene geslachten uitblonken door overeenkomstig talent ? Gaan koopmansgeest en krijgsmansaard niet veelal over van vader op zoon ?

De beroemde geleerde Sir Francis Galton heeft een boek geschreven, „Hereditary Genius", waarin juist dit laatste verschijnsel op grond van overvloedige gegevens wordt onderzocht en in 't licht gesteld.

„I propose to show in this book," zoo vangt Galton zijn werk aan, „that a inan's natural abilities are derived by inheritance, under exactly the same limitations as are the form and physical features of the whole organic world."

En inderdaad: heeft men het werk doorloopen, dan zal men moeten toegeven, dat Galton zijne stelling heeft bewezen.

Hij heeft niet minder dan driehonderd families behandeld, bevattende bijna 1000 eminente mannen, waaronder 415, die wereldberoemd verdienen te heeten. En bij dezen bleek algemeen, dat in hunne familie, bij hun vader en hun grootvader, evenals bij zoons, kleinzoons of broeders, hooge bekwaamheid eveneens werd gevonden.

Met den arbeid van Gallon moge nog vergeleken worden: De Candolle, „Histoire des sciences et des savants", en Ribot: „VHérédité."

De Candolle heeft gevonden, dat de adel en het patriciaat een veel grooter aantal geleerden voortgebracht hebben dan andere standen. Omdat immers in deze standen het geestelijke niveau reeds aanvankelijk een hooger is.

In vorstelijke en adellijke families komt een buitengewoon hoog percentage van begaafde individuen voor. Men denke aan de Oranje's de Hohenzollern's, — de Van Zuijlen's, Van Lijnden's, Bülow's, Von der Goltz' en zoovele andere families, waarin tal van leden, met bizondere begaafdheid en dikwijls buitengewone werkkracht toegerust, tot allerlei gewichtige ambten worden geroepen.

Medici, die uit den aard der zaak de menschelijke dingen van den althans fysiek onguiistigen kant bezien, hebben gewaarschuwd tegen huwelijken van erfelijk belasten, omdat daardoor op de nakomelingschap de last van tweeërlei degeneratie wordt geadditioneerd — óf, indien één van beide echtgenooten belast is met welke ongunstige herediteit ook, de progenituur, die, voor zooveel de ééne zijde betreft, gezond geweest zou zijn, door deze daarop gelegde belasting wordt bedorven.

In gunstigen zin is dit alles natuurlijk evengoed waar.

Goed begaafde, goed gezonde ouders zullen te zamen goed begaafde en gezonde kinderen verwekken. Buitengewoon begaafde ook buitengewone kinderen. Hier worden de gunstige elementen geadditionneerd, evenals straks de ongunstige.

Sluiten