Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

772

DE HOLLANDSCHE REVUE.

een leugen, waar niemand schade of voordeel door had, dan die man zelf.

Nimmer heb ik gehoord of gezien, dat deze vrouw (hier over zich zelve sprekend) met de militairen godsdienstoefeningen hield of hen uit den Bijbel voorlas; wèl heb ik gezien, dat zij de Katholieke kinderen in hun kerk ten doop hield, en met de Israëlieten grooten verzoendag hield.

Toch heb ik een brief gelezen van een militair van het 7e Bataljon, waarin hij o.a. schreef: „Mevrouw, wij hebben geen borrel noodig, om moed uit te putten voor de inneming van Tjakra Negara; wij weten, wie er in de kamer van den kapitein voor den divan neerknielt en voor ons bidt; daaruit scheppen wij onzen moed". Weer een andere brief luidde als volgt: „Mevrouw, uwe brieven geven mij den moed, om de expeditie ten einde toe te volbrengen; met Tjakra overwinnen of sterven! Sneuvel ik, dan weet ik, wie voor mijn vrouw en kinderen zal zorgen."

Die vrouw is niet in Indië kunnen blijven.

Gaat, dames! en neemt haar werk over. Zoekt den zieken soldaat en zijn kader op in de hospitalen, spreekt hun moed in, wanneer ze daar maanden lang ziek liggen! Schroomt niet uw eigen zakdoek te nemen en hun daarmede het zweet, dat op hun voorhoofd parelt, af te vegen, laat hen niet alléén sterven, maar verlicht hun het heengaan. Wijst hen dan op Christus, als zij u bekennen, onrechtvaardig te zijn behandeld; wijst hen op Gods grootheid, als ze moedeloos worden. Mocht gij vóór hen sterven, welnu dan weet ik, dat schoone kransen uw graf zullen sieren, en de soldaten zullen zeggen: „Zij was eene Christin, want zij was mensch," al mochten sommigen u al veroordeelen, omdat gij geen bijbellezingen en godsdienstoefeningen met die soldaten hebt gehouden.

Verder kwam zij er tegen op, dat de „Militaire Tehuizen" steeds een godsdienstig tintje, een „christelijk" karakter hebben moeten.

Het militair tehuis toch, zoo merkte zij op, is de „sociëteit voor den minderen militair", waar allen, van welk geloof ook, moeten kunnen binnengaan, zonder dat zij gedwongen worden naar een godsdienst te luisteren, waarin ze niet zijn groot gebracht. En, zei ze verder, zeer ad rem, ze zou wel eens willen zien wat de „heeren" zouden zeggen wanneer men wilde, dat hun sociëteiten „christelijk" moesten zijn en de „Witte" orthodox bijvoorbeeld, of de „Besognekamer" christelijk-historisch ! En waarom nu iets geëischt van de plaatsen van bijeenkomst der „mindere militairen", wat de „heeren" van hun sociëteiten niet zouden dulden? En waarom ze dan niet „neutraal" gehouden?

Maar hoor haar ook eens aan, wanneer zij die dames te woord staat over de kwestie van het konkubinaat in het Indische leger, een „onzedelijkheid" waarvan zij in hun vroom, rijk fatsoen met neergeslagen oogen gruwen, terwijl nog nooit, veilig in hun welgestelde omgeving, een aanslag op hun eigen eerbaarheid is gedaan.

„ Dan hoor ik telkens in openbare plaatsen uitroe¬

iingen over de onzedelijkheid in Indië, en toevallig „altijd door personen, die er nooit geweest zijn", zoo riep zij uit. „Indien er Indisch-gasten hier zijn, dan „vraag ik aan u: kunt gij u het leger voorstellen „zonder de Javaansche vrouw?" (Eenige Oud-Indische militairen roepen : neen ! neen !) „Nu moeten, „volgens velen, die vrouwen uit de kampementen „verwijderd worden. Hebt gij gezien, wat de Ja„vaansche vrouw voor den soldaat is? Hebt gij „gezien, zooals ik het gezien heb, hoe die vrouw „den vermoeiden soldaat helpt, wanneer hij van „een marsch terugkomt om 4 ure 's middags, ter„wijl hij met zijn officieren van af 5 ure 's mor„gens in een tropisch klimaat in 't touw is ge„weest, en steeds kranig loopende, als ware hij „pas uitgerukt, maar hoe hij in de Kazernepoort „dikwijls ineenzakt; hoe dan die Javaansche vrou„wen zich beijveren, om hem van de overtollige „kleeding te ontdoen, hem naar zijn krib te bren„gen, zijn hoofd met azijn en water te verfrisschen, „en dan, als hij is bijgekomen, liefderijk vraagt: „Soedah ennak, toewan?" Hebt gij gezien, hoe „ze in de hospitalen hunne mannen trouw komen „bezoeken en voor de versnaperingen, welke zij „hun medebrengen, dikwijls haar goed naar de „bank van leening hebben gebracht? Hebt gij „gezien, hoe eene Javaansche vrouw een uur lang „in de hitte liep, om op de markt bloemen te gaan „koopen, om den volgenden morgen nog eens twee „uren te wandelen, ten einde ze op zijn graf te „leggen? Heb ik zelve niet op den dood gelegen, „zoodat de dokter verklaarde, dat het 's nachts „met mij zou afloopen, en hebben toen niet dames, „wie ik steeds behulpzaam was geweest, mij verbaten en mijn man alleen gelaten, omdat ze bang „waren iemand te zien sterven, en waren het niet „twee Javaansche vrouwen, die gedurende den „ganscheu nacht bij mij en mijn echtgenoot ble„ven? Toen ik huilde, omdat ik mijne kinderen „zou moeten verlaten, wezen ze mij toen niet op „Toewan Allah?

„Hoeveel Hollandsche militairen hebben nooit „een meisje? Honderd wegen staan hun open om „met die meisjes uit te gaau. En wat heeft de „Indische soldaat?

„Wanneer men wil, dat het Leger getrouwd is, „welnu, hoe dikwijls hoor ik niet vertellen van „de millioenen en tonnen gouds, welke zoo menig „menschenkind bezit; waarom leggen ze dan van „al die millioenen niet één enkele aan de voeten „van de Regeering voor het bevorderen van de „huwelijken ?"

Behoeft het verwondering te baren, dat deze vrouw 't niet dulden kan, dat er kwaad wordt gesproken van den Indischen militair, dat men „haar jongens" in een slecht daglicht stelt en dat onkundigen en partij-zeloten hen belastert?

Zoo vernamen we eens het volgende van haar.

De heer Pierson van Zetten zou een voordracht houden over een onderwerp in verband met Indië — over Indië waar hij nooit geweest en

Sluiten