Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK VAN DE MAAND.

795

1847 en '49 werd overtroffen. Duurte der levensmiddelen was de hoofdoorzaak.

In het jaar 1880 (in Zeeland reeds met het jaar '75) trad blijkbaar eene reaktie in: het geboortecijfer daalde in alle provinciën — in sommige vrij sterk — en blijft verder geleidelijk afnemen, en wel het meest in die provinciën, waar dat cijfer nog het grootst was.

Eene uitzondering hierop maakte vooreerst Drente, waar na de daling in 1880/'84 weder eene vrij regelmatige toename van het aantal geboorten plaats vond; verder Limburg en NoordBrabant, waar na '89, en Overijsel en Gelderland, waar na '94 opnieuw eene rijzing was waar te nemen. Dit geleidelijk blijven afnemen van het geboortecijfer is volgens Dr. Jonkers vooral daarom merkwaardig, wijl na 1889 het aantal huwelijken in alle provinciën niet onbelangrijk is toegenomen.

Welke echter ook de oorzaken er vau mogen zijn, in ieder geval mogen we, volgens hem, als zeker aannemen, dat deze mindere geboorten in hoofdzaak de meergegoede klasse betreffen.

Huwelijksvruchtbaarheid.

Het spreekt van zelf, dat de schommelingen in het aantal wettige geboorten op 1000 inwoners geen juist beeld geven van de toe- of afname der huwelijksvruchtbaarheid. Zulks zou alleen dan het geval zijn, indien in den loop der tijden het aandeel, dat de samenlevende echtparen, waarvan beide echtgenooten in den tot voortbrenging geschikten leeftijd zijn, hebben in de totale bevolking, gelijk gebleven was. Dit aandeel kan echter uit de bestaande bevolkingsstatistiek niet berekend worden. Daarom neemt men, in plaats van die samenlevende echtparen, de gehuwde vrouwen in den vruchtbaren leeftijd (d.i. tot ongeveer het 50e jaar).

Om nu de huwelijksvruchtbaarheid te bepalen, aldus legt de schrijver ons uit, gaat men na, hoe groot het aantal wettige geboorten is op 1000 gehuwde vrouwen beneden den leeftijd van 50 jaren in een bepaald jaar („natalité spéciale légitime'', volgens Bertillon). Doch ook deze methode kleeft nog eene fout aan, die evenwel tot dusverre helaas niet te vermijden is, zelfs al kon men het aantal samenlevende echtparen bovengenoemd tot uitgangspunt der berekening maken. Stilzwijgend worden immers al deze vrouwen als gelijkwaardig wat vruchtbaarheid betreft beschouwd, onverschillig of zij 20 of 48 jaren oud zijn; m. a. w. wordt aangenomen, dat de vrouwelijke vruchtbaarheid, is zij eens ontstaan, tot aan het klimakterium steeds even groot blijft, om daarna plotseling geheel op te houden. In werkelijkheid is zij echter op verschillende leeftijden lang niet even groot, zoodat de gemiddelde vruchtbaarheid van 1000 gehuwde vrouwen beneden 50 jaren b.v. grooter zal zijn, naarmate daaronder minder voorkomen van 40—50 of meer van b.v. 18—25 jaren oud. Hoe groot echter de invloed is, dien de leeftijd der vrouw heeft op

hare vruchtbaarheid, kan niet worden nagegaan, wijl in de bevolkingsstatistiek bij de geboorten, de leeftijd der moeders tot dusverre niet vermeld wordt. Of, en zoo ja, in hoeverre ook de leeftijd van den gehuwden man van invloed is op de kans van bevruchting zijner vrouw, is mij niet bekend, doch zou een 2» faktor kunnen zijn, die het vergelijken van de huwelijksvruchtbaarheid in verschillende jaarperioden minder betrouwbaar maakt. Van den nood diént dus eene deugd gemaakt, d. w. z. de leeftijd der echtgenooten wordt bij de berekening van den loop der huwelijksvruchtbaarheid eenvoudig buiten beschouwing gelaten.

Nu is door den voormaligen direkteur van het Statistisch Instituut, prof. Beaujon, de huwelijksvruchtbaarheid nagegaan van 1860—'79 en deed de tegenwoordige direkteur van het Centraal Bureau voor de Statistiek, dr. Verrijn Stuart, hetzelfde voor de jaren 1880—'89. In aansluiting hieraan is door Dr. Jonkers, nu de uitkomsten der volkstelling van 1899 bekend zijn, de huwelijksvruchtbaarheid berekend voor de jaren 1890—'99. Ten einde eene vergelijking met de vorige jaren mogelijk te maken, heeft hij, evenals dr. Stuart, ter berekening van de vrouwelijke bevolking in ieder jaar, gebruik gemaakt vau een door prof. Beaujon aangegeven, zeer ingénieuze méthode, en werd het verschil tusschen de percentages der gehuwde vrouwelijke bevolking beneden de 50 jaar op de totale vrouwelijke bevolking bij de volkstellingen van 1889 en '99 eenvoudig arithmetisch geïnterpoleerd. Dit verschil (eene vermeerdering van slechts 0.39 °/0 voor het Rijk, tegen eene vermindering van 1.3 °/0 gedurende 1879—'89) is onbelangrijk, zoodat de fout, die door de interpolatie in zijne berekening is geslopen, niet noemenswaard kan zijn.

Wettige geboorten.

Thans nemen we de op volg. pag. staande tabel I over betreffende het aantal wettige geboorten op 1000 gehuwde vrouwen beneden de 50 jaar.

Hieruit blijkt, dat de huwelijksvruchtbaarheid in ons land toeneemt tot ongeveer 1880, als afspiegeling van toenemende welvaart; daarna evenwel vrij plotseling aanzienlijk vermindert.

De in 1880/'84 ingetreden daling van het geboortecijfer blijkt dus niet alleen veroorzaakt te zijn door het geringere aantal huwelijken, die in die periode gesloten werden, doch tevens en meer nog een gevolg te zijn van de afname der huwelijksvruchtbaarheid.

Waaraan moet nu die afname worden toegeschreven?, zoo vraagt bij dan. Wanneer we van eene onder den invloed van het moderne leven of van eene, misschien door de natuur zelve veroorzaakte, dus physiologische, afname van de vruchtbaarheid der vrouw in het algemeen afzien, wijl ons daarvan met zekerheid niets bekend is en die, al mocht zij aanwezig zijn, toch wel nooit

Sluiten