Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

zijn leiding der „Stadsconcerten", als koordirigent en beheerscher van massale uitvoeringen, (Matthaus-Passion, Messias, Damnation de Faust, La prise de Troie, Fragmenten uit Meistersinger, enz.); een 'n tijdlang door hem te Utrecht geleid a cappella koor gaf ons audities van hoog genot; dat was zwelgen in mooi geluid; wat klonken de accoorden dan eerst, geheel ontdaan van den invloed, dien de gelijkzwevende temperatuur van het klavier waarlijk niet ten gunste op ons gehoor uitoefent; W's uiterst fijn en gevoelig gehoor bestemt hem als van nature tot leider van een a cappella koor; zijn buitengewoon algemeen inzicht voorts maakt dat er voor hem zoo goed als geen problemen ook op het gebied der muzikale wetenschap bestaan, hij beheerscht de theorie inderdaad meesterlijk, en eindelijk waartoe te herinneren aan zijn geesteskinderen ? Noemen wij hem, bij het herdenken van Nederlandsche componisten, niet als in één adem met onzen onvergeetlijken Diepenbrock, hoezeer beiden overigens ook uiteenloopen. Beidenzijn van onze scheppende toonkunstenaren zeker degenen, op wier denken en werken wij trotsch mogen zijn.

Verleidelijk zou het zijn om hetgeen we aan deze beide grooten te danken hebben voor den roem der toonkunst in den lande, met alle de goede gevolgen daarvan, eens nader te bezien; ik zal er mij nu evenwel van onthouden.

Nu heb ik het over Johan Wagenaar, de ziel van het Utrechtsche muziekleven, zoolang als hij er aan heeft deelgenomen. Daar zijn geboren: die eenig in de gansche muziekliteratuur, alleen ook in Holland bestaanbare „Schipbreuk" en De Doge van Venetië1); maar ook zijn van Berlioz'

l) Over den „Cid" spreek ik hier liever niet. Ik meen dat, hoeveel schoone muziek dit werk ook bevatten moge, zooveel als parelen maar „slecht gevat", de meester voor deze m.i. te ver gaande parodie met zijn al te banale grappen, veel te goed is, te hoog staat.

geest doordrongen, uitmuntend voor groot orchest geschreven werken, als „Saul en David" met die verrukkelijke harppartij, „Cyrano de Bergerac," „De getemde feeks," herhaaldelijk met duidelijk sprekenden bijval ten gehoore gebracht, meestal voor het eerst door Wouter Hutschenruyter met het Utr. Sted. Orchest. De uitvoeringen bleven echter niet tot Utrecht bepaald. Peter van Ani ooy, Schneevoigt, ook de groote Willem Mengelberg namen W's werken op in hun repertoires. Herhaaldelijk werd W. ook voor onze groote orchesten als gastdirigent uitgenoodigd. Door de kritiek bij zulke gelegenheden gewogen tegen,.— bijv: Nikisch, Muck, Mengelberg zelf kon het resultaat niet ten gunste van W. uitvallen. En, bij Apollo!, dat ligt voor de hand. De kritiek had zoo'n gewichtig gedoe ook ditmaal beter achterwege gelaten.

Want, voor een gastdirigent in den gewonen zin, voor iemand die met een hem vreemd orchest aanstonds voor een enkel concert zijn voelen en meenen tot uiting zal weten te brengen, is noodig dat een orchest te dirigeeren zijn eenig, daaglijksch werk is, dat hij dus niets anders om handen heeft, niets anders om handen behoeft te hebben. Er is routine voor noodig, bij kunst een akelig klinkend woord, maar in dit geval is routine onvermijdelijk. Behalve in die wel zeer weinige gevallen van door „Gods genade" aangewezen te zijn, hangt het worden van orchestdirigent — en vooral bij ons — af van toevallige omstandigheden. Er moet al juist een plaats vacant zijn, men moet reeds gelegenheid gehad hebben te toonen, dat van den candidaat met recht iets verwacht mag worden. Er bestaat immers weinig gelegenheid tot vooroefening; men zou een orchestbestuur kunnen tegenvallen, vandaar uiterste voorzichtigheid. Heel veel candidaten voor eenzelfde plaats zijn er natuurlijk niet. Dooreen genomen is er op de + 70 orchestmusici slechts één dirigent. Zoo is dan Johan Wagenaar niet een onzer orchest-dirigenten

Sluiten