Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

39

parodie gegeven op de Opera-Comique.

Nog een arrangement van Haydn s oratorio werd gemaakt door citoyen Bertin, „artiste de 1'Opéra et cidevant musicien de Notre-Dame de Paris," die op het werk (het zullen wel maar enkele gedeelten geweest zijn, wat ik echter niet vermeld vind) een latijnsche tekst toepaste. Aldus werd het uitgevoerd ter gelegenheid van het St. Cécilia-feest, op 23 November 1803, in de kerk van SaintRoch. De geniale geest van de compositie werkte dus na bij de Franschen, en welbeschouwd mag aan Steibelt de verdienste niet ontzegd worden de Parijzenaars met het meesterwerk in kennis te hebben gesteld.

II. De Schedel van Haydn. De schedel van Haydn — de echte, zooals nu schijnt uitgemaakt te zijn — berust in het „Museum der Gesellschaft der Musikfreunde" te Weenen. Langen tijd heeft er twijfel bestaan over de authenticiteit van het reliquie, omdat er eigenlijk nog een tweede crane van den meester als echt aangewezen werd. Voor een paar jaar heeft de publicatie van een eigenaardig document de zaak echter duidelijk uitgemaakt. Het stuk werd door toedoen van Professor Julius Tandler in de „Mitteilungen der antropologischen Gesellschaft" te Weenen afgedrukt. Het is een gedeelte van het testament van een zekeren Johann Peter, in leven administrateur van de Nederoostenrijksche Provintiale gevangenis, die hierin bekentenis aflegt van de lijkschennis waaraan hij zich acht dagen na Haydn's begrafenis schuldig maakte, en ook van het verdere lot van den met eerbiedige zorg bewaarden schedel.

Ik vertaal woordelijk uit het testament:

, dus begon ik een verzameling aan

te leggen van schedels zulker menschen, wier werken ik in mijn leven gekend had, en wier „Knochengebilde" ik na hunnen dood met hunne geestige eigenschappen

en de door Dr. Gall aangegeven „Sitzpunkten im Knochengebilde", hunner hersenschaal vergeleek, waarbij zich meestal de scherpzinnigheid van den heer Dr. Gall realiseerde. Zoo ontging de groote, in de muziekwereld onsterfelijke Josef Haydn mijne opmerkzaamheid niet. Met deze hartstocht ontwaakte voor den kop van Haydn nog een ander onweerstaanbaar gevoel, de vereering voor den grooten man, die in de toonkunst een voorbeeld voor zijn tijd geweest was en voor het nageslacht nog zal blijven. Daar deze groote man op het kerkhof „ausser der Linie am Hundsturm" aan de aarde toevertrouwd, bijgevolg vrijgelaten was, en de plaats van zijn graf dus aan de vergetelheid prijs gegeven, zoo was er volgens de wet zelfs geen hinderpaal meer, het „herrenlose" middel te baat te nemen, en het kostte niet zoo heel veel moeite, dezen kop te bemachtigen, slechts moest de grafmaker met goud er toe overgehaald worden eene helpende hand te bieden. Nog drie vrienden, met denzelfden geest bezield, sloten zich bij mij aan, namelijk Josef Rosenbaum, secretaris van Graaf Esterhazy, Michael Jungmann, schatter van het magistraat te Weenen, en Ignaz Ullman, eerste ambtsofficier „im Unterkammerambt" der stad Weenen. Wij gingen, nadat wij den doodgraver betaald hadden wat hij vorderde, acht dagen na de begrafenis op het kerkhof. Het graf werd ontsloten, de kop afgenomen en in mijnen tuin gebracht die ik in de Leopoldstadt, de toenmalige „Unschlittschmelz", bezat, hier zorgvuldig „mazeriert" en, zooveel als mogelijk was, gebleekt. Ter bewaring van dezen kop liet ik dan een kastje maken van zwart gebeitst en gepolitoerd hout, dat er als een Romeinsche graftombe uitziet. Op het bovengedeelte bevindt zich een Lyra, hierin bewaarde ik den kop op een kussen van zijde met fluweel gedrapeerd."

Eenigen tijd nadien kwam Vorst Ester-

Sluiten