Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

183

spannen en daarna harmonische tusschenstemmen invullen. Doch de tijd dat men uitsluitend bassen bewerkte is toch wel reeds lang voorbij. Sedert Riemann en Louis en Thuille hunne werken schreven heeft men toch zeker niet nagelaten melodieën te harmoniseeren. En hoevelen onzer hebben dat reeds gedaan vóór die werken verschenen zijn! Nu lijkt mij dit laatste buitengewoon belangrijk om het harmonisch begrip aan te kweeken en te ontwikkelen. Bij iedere melodienoot is de harmonie latent aanwezig. Aan den leerling de taak de juiste harmonie op te sporen. Uit een practisch oogpunt lijkt mij dit werk veel belangrijker dan het vierstemmig bewerken van een gegeven bas.

Als men doctrinair vasthoudt aan het verbod van quint- en octaafparallellen en aan het maken van overmatige seconden en quart-voortschrijdingen — dan, ja — dan moet men wel in conflict komen met de meesterwerken onzer kunst. Doch wanneer men aanvankelijk „im strengen Satz laat werken kan men zeer goed al die regels en voorschriften demonstreeren aan werken in dien stijl. Voor de harmonische analyse neme men b.v. een mis van Palestrina. In een later stadium kunnen dan Bach en Mozart dienen. En dan is er dunkt me geen enkel bezwaar om de hand te houden aan deze aloude voorschriften. Buitendien (met een kleine variant) „in der Beschrankung erwerbt man sich die Meister schaft".

Komt men later tot het gebruik van de chromatiek, dan kunnen al deze voorschriften wat soepeler in toepassing gebracht worden. Deze methode is buitendien uitermate geschikt om den leerlingen „stijlgevoel" bij te brengen.

Het is mij een raadsel hoe de heer Dresden den tijd, besteed aan het bijbrengen van een „juiste stemvoering" ongeveer als verloren tijd beschouwt. Wanneer de leerling daarvan niet het juiste

besef heeft, hoe zal hij dan de polyphone werken onzer groote meesters kunnen waardeeren of bewonderen, en nog veel minder zelf weergeven ? Doch daarbij komt nog iets. In de latere jaren is het zwaartepunt van de harmoniestudie wel verplaatst van het bord of het papier naar de piano.

Het uitwerken van harmonie-opgaven aan de piano en het maken van modulaties, deze beide oefeningen, die tegenwoordig zoo'n groote plaats beslaan bij de studie der harmonieleer — zou de heer Dresden die slechts willen in toepassing brengen bij toekomstige organisten en componisten? Het is nauwelijks te gelooven! Dan zouden al onze pianisten (niet componisten) en zangers(essen) weder terugvallen in den toestand van muzikale stumperigheid, waarin zij een twintigtal jaren geleden verkeerden! Me dunkt, dat kan de heer Dresden niet meenen! Maar dan is ook de eisch voor het doen vervallen van het streven naar „juiste stemvoering" niet houdbaar. Hoe toch zou de leerling in staat zijn dissoneerende accoorden op te lossen op de juiste manier ? Men weet wel hoe onbeholpen dit vaak gebeurt in den aanvang. In den regel zal de leerling zulks schriftelijk nog eerder onder de knie hebben dan op de piano. Maar als men verzuimde den toekomstigen kunstenaar te wijzen op de eischen eener juiste stemvoering, dan zou hij eerder opgeleid worden tot speel- of zangautomaat, dan tot den artist, bij wien het „kunnen" evenmin verwaarloosd mag zijn als de practische vaardigheid op zijn instrument.

Wil men een beperking, dan zou die m.i. slechts kunnen gaan tot bespelers van orchestinstrumenten, zooals viool, violoncel, en blaasinstrumenten. De ondervinding leert dat de meeste van hen, ook door hun gebrekkig pianospel als bijvak, het in de theoretische vakken toch niet ver brengen.

Wat de heer Dresden verder aanvoerde

Sluiten