Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

gedacht dat zij bezig waren een volkslied te schrijven. Langzamerhand zijn die pittige, onweerstaanbare liedjes erin gekomen, aller eigendom geworden; men kan gerust de hoop opgeven, dat er bij al die bestelde liederen ooit een goed volkslied te voorschijn komen zal. De boodschap is eenvoudig : afwachten tot er vandaag of morgen weer eens iemand een lied maakt dat tot aller gemoed spreekt en dus volkslied worden zal.

Tot het gemoed spreken daar hebben

wij het. Denkt men heusch, dat al die goedkoope min of meer brallerige gedichten, vol gemaakte geestdrift nog iets tot de massa zeggen? En wat de muziek betreft: men weet precies hoe een volkslied zijn moet, doch niemand is toch in staat er een te maken! Een volkslied moet eenvoudig zijn. Zeker. Jammer genoeg verwart men alleen ten onzent altijd eenvoud met onbenulligheid, met stumperigheid. Wat men hier een „eenvoudige melodie" belieft te noemen, is bijna nooit anders dan een miserabel conventionaliteitje, zooals iedereen die twee klassen van het conservatorium afgeloopen heeft, er den geheelen dag, zonder ophouden schrijven kan. Men moet met dat woord eenvoudig een beetje oppassen, of men moet de menschen leeren het wat beter te gaan verstaan ; slechts datgene, dat aan zeer hooge eischen voldoet, kan eenvoudig zijn; „Sah' ein Knab' ein Röslein steh'n" van Schubert is een eenvoudig liedje en de „Kinderszenen" van Schumann zijn eenvoudige pianostukjes; kunst van de hoogste orde die tegelijkertijd voor iedereen is. Wat men ten onzent echter voor iedereen noemt heeft in negen-en-negentig van de honderd gevallen met kunst zelfs niet het geringste uit te staan, is bijna altijd zielig-armzalig.

Denk nog eens even aan dat melodietje van de „Zilveren vloot"; welk een Schwung, wat een pit, wat een gang zit daarin! Dat is eenvoudig, o jawel, maar een melodische vondst die meetelt in de literatuur. Een

maat van deze melodie, een maat van „Doe open de poort in Oranje zijn naam" is meer waard dan alle feestliederen en cantates, die nu weer gecomponeerd zijn, bij elkaar. In onzen tijd is het er slechts één gelukt een lied te schrijven, waaraan de waarde van volkslied toegekend mag worden : SpeenhofF. Zijn „daar komen de schutters" is ook wat de marschmelodie betreft, een meesterstuk, dat er bij het volk altijd weer in zal gaan. Laten wij hem, Speenhoff, allen eens vriendelijk aankijken; misschien gaat hij dan zijn best doen om ons te helpen aan iets waarop gewacht wordt: een goed feestlied. iiiiiuiiïiiiiiiiiiiiiiiiiiiHiiiiiitiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiïiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiirifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiituirinniitifiiiiiiiniiiiiinni

Muziek en Boeken.

Al de heeren componisten van Koninginne-en feestliederen voor het regeeringsjubileum moeten het ons niet euvel duiden, dat wij de producten van hun geestdrift maar een beetje voorbij gaan; bij dergelijke gelegenheden: huwelijks- of geboortefeesten of jubilea in het vorstelijk Huis, meent gewoonlijk Jan, Piet en Klaas aan het componeeren te moeten gaan, met het gevolg dat er dan een reeks banaliteiten voor den dag komt, die men maar het liefst een beetje uit den weg gaat, die alleen heel geschikt zijn om de achting voor bijvoorbeeld een Louis Davids, die zoo een liedeke als van het Scheveningsche Bosch gemaakt heeft, te doen toenemen.

Dit keer bleef het niet bij feestliederen; er verschenen ook heele cantates o.a. een „Wilhelmina-Cantate", woorden van W. H. Kirberger voor gemengd Mannen- en Kinderkoor met piano-en orgelbegeleiding, samengesteld uit bekende melodieën en gecomponeerd door Arnold Spoel. Het is een uitgave van de „Nieuwe Apeldoornsche Courant".

Bij den uitgever Ph. Hakkert te Rotterdam is een bundeltje piano-stukjes verschenen : vier Schetsen van Louis Schnitzler, eenvoudige, goed geschreven stukjes, die binnen het bereik van onze piano-

Sluiten