Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

828

DE HOLLANDSCHE REVUE.

ze door dit vuur langzamer of sneller gered, d.i. voor de zaligheid geschikt gemaakt worden. Dit werd door Chesarius van Arles zoo uitgebreid, dat degenen, die nalatig waren in het goedmakeu van kleine zonden (door aalmoezen enz.), door dit vuur der gindsche wereld gezuiverd moesten worden om onbevlekt het eeuwige leven te verkrijgen. Maar vooral Gregorius de Groote heeft het bestaand gevoelen verder verbreid. Hij spreekt voor het eerst de gedachte der bevrijding uit het Vagevuur door voorbidding, offers voor de dooden, enz. duidelijker uit.

En om mijne meening te bevestigen, zegt de heer Lindenborn, verhaalt hij (nml. Gregorius de Groote) o.a., dat de zielen van twee gestorvenen, bemorst en onrein, hem in het bad zijn verschenen en van hem hebben geéischt, dat er voor hen geloften zouden gedaan worden en dat deze van die uitwerking zijn geweest, dat zij van de straffen bevrijd werden en de vergeving hunner zonden verkregen hebben en naar de gewesten der gezaligden zijn overgebracht. Sedert Gregorius werd de leer van het reinigend vuur, waardoor de zielen moesten gaan, steeds verder verbreid „und in hiërarchisem Interesse ausgedeutet und ausgebeutet."

Letten we er dus op:

1°. dat bij de leer van het Vagevuur de overeenstemming der „kerkvaders" wordt gemist;

2e. dat er een groot verschil is tusschen de oude reinigingsleer en de in de middeleeuwen ontwikkeld Vagevuurleer, gelijk deze nog in de Roomsche kerk geldend is.

3e. dat het aanbevelen van gebeden voor de zielen der overledenen werkelijk door de kerkvaders op vele plaatsen geschiedt.

En dan komt de schrijver tot stelling III: „De leer van het Vagevuur is geleerd door de Konciliën."

Het leerstuk van het Vagevuur werd kerkelijk vastgesteld door het koncilie van Florence in 1439. Had de Grieksche kerk van dit leerstuk tot nu toe niets willen weten, op dit koncilie, waar schijnbaar een vereeniging tusschen de Grieksche en Roomsche kerk tor stand kwam, werd als gemeenschappelijke leer vastgesteld, dat de zielen van hen, die wel in de genade Gods sterven, maar voor hunne zonden nog niet de daartegen opwegende vergoeding der boete hebben gebracht, na den dood door de straffen van het Vagevuur gereinigd worden en dat tot verlichting van deze straffen kunnen dienen de voorbeden der levende geloovigen, het misoffer, 't gebed, de aalmoezen en andere vrome werken.

Het koncilie van Trente is zeer spaarzaam in het behandelen van dit leerstuk. In het „Decretum de purgatorio" zegt het, dat er een Vagevuur is en hoe de zielen eruit geholpen worden. In sessio 6 canon 30, dat daar de schuld der tijdelijke straf moet worden voldaan. In sessio 22 cap. 2 en canon 3, dat het misoffer een zoenmiddel is,

dat gebracht moet worden ook voor de in Christus gestorvenen, die nog niet geheel gezuiverd zijn. We zien het: veel is het niet. Nu, zonder opzet zal het, volgens den heer Lindenborn, wel I niet zijn, dat het koncilie zoo kort is in het behandelen van een leerstuk, dat reeds door Luther in zijn 95 stellingen van 1517 werd aangevallen en dat zoo slecht verdedigd kon worden. Bossuet ; roept dan ook triomfantelijk uit: „Dit is nu alles, j 'Wat ons het koncilie van Trente wegens de zieI len in het Vagevuur te gelooven voorstelt, onbeslist latende, waarin hare straffen bestaan, alsmede vele andere soortgelijke vragen in wier nasporing het gezegde koncilie een groote ingetogenheid vordert, dezulke tevens gispende, die zich vernieten, onzekere of verdachte dingen voor te dragen."

Hoe komen de zielen uu uit het Vagevuur? Door zóó lang de smarten er van te ondergaan, totdat ze rein zijn, als wanneer ze den hemel kunnen binnengaan. Maar ze kunnen geholpen worden door de godsdienstige verrichtingen der levende geloovigen, in den vorm van:

a. Gebeden, aalmoezen en andere vrome werken.

Gebeden, aalmoezen, vasten, bedevaarten enz., zijn de middelen, waardoor de geloovigen hunne tijdelijke straffen voldoen, „niet als hadde onze Heere Jezus Christus geen volkomen genoegdoend zoenoffer voor onze zonde aangebracht, maar om door onze medewerking aan de verdiensten van dat offer deelachtig te worden en daarvan de toedeeling te verkrijgen." Waar nu de zielen in het Vagevuur hunne tijdelijke straffen natuurlijk niet meer daardoor kunnen voldoen, daar kunnen, aangezien de lijdende kerk met de strijdende en de tfiumfeereude één is, de vrome werken deilevende geloovigen Gods als plaatsvervangend voor de gestorvenen worden opgedragen en hen aldus (per modum suffragii, per viam orationis) helpen om het verblijf' in het Vagevuur te verlichten en te verkorten.

, b Het misoffer. Dit is de krachtigste hulp voor de zielen in het Vagevuur. Dit offer van Christus, (die geheel en waarachtig substantieel aanwezigis in de, door de konsekrati'e in het lichaam en hel bloed van Christus veranderde brood en wijn, in het sakrarnent des Avoudmaals) door Hem ingesteld, is identisch met het aan het kruis gebrachte offer.

„De heilige mis is de onuitputtelijke bron, waaruit alle genade ontspringt, die wij in de heilige Katholieke kerk maar deelachtig kunnen worden. Indien de zaligste Maagd Maria, indien de schit. terende koren der heilige engelen, indien de lief, lijke scharen der heiligen allen voor Gods troon traden en Hein aanboden al de gebeden, die zij hebben gedaan en al de lofzangen, die ook maar ooit door 's hemels zalen hebben weerklonken: indien de heilige apostelen Hem aanboden alles, wat zij voor Hem hebben verricht, de heilige martelaars alle smarten, die zij hebben geleden, de heilige belijders al hunne gebeden en boet-

Sluiten