Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

77

Ach was men toch maar reeds zoo ver en zoo wijs,

Om kinderen reeds op school te laten deelnemen aan goed zangonderwijs.

* * *

De weg naar roem en eer staat voor iedereen open,

Het is slechts de kwestie om hem te vinden en er op te leeren loopen.

HUnHHfflHIIIHIIM

Het praatje van de maand.

De Amsterdamsche afdeeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst heeft dezer dagen een nieuw werk ten gehoore gebracht „Die Glocken"van Rachmaninoff, dat door den componist aan Willem Mengelberg, het koor van Toonkunst en het Orkest opgedragen is. Bij die uitvoering is het feit herdacht dat Mengelberg vijf en twintig jaar aan het hoofd van het Amsterdamsche Toonkunstkoor staat; hij heeft het tot het eerste koor des lands gemaakt. Natuurlijk is het voor den gevierden dirigent een avond van hulde en eerebetoon geworden.

Gelukkig maar dat er ten minste iets feestelijks te melden valt: immers dozijnen berichten die uit het buitenland tot ons komen zijn van zoo zorgelijken aard, dat het niet veel moeite zou kosten van dit praatje één groot klaaglied te maken. Nu zit bijvoorbeeld de „Burgkapel" te Weenen weer in den nood, een kerkkoor dat al sedert vier eeuwen bestaat, dat voor Weenen is wat de Sixtijnsche kapel voor Rome is. De Oostenrijksche Staat kan niet meer gelijk voorheen, voor de kapel zorgen, zoodat het gevaar dat de vermaarde instelling eindigen moet, volstrekt niet denkbeeldig is. Intusschen zal men alles in het werk stellen om een roemloos einde van de kapel te voorkomen; bekende figuren uit alle kringen van Weenen hebben zich vereenigd tot een „Comité zur Foerderung der Kirchen-musik in der Burgkapelle", en dat comité hoopt de middelen

te zullen vinden om de kapel te behouden.

De rest van de verhalen van Opera's die in moeielijkheden verkeeren, van orkesten die het niet langer vol kunnen houden, van allerlei artisten die geen raad meer weten, de rest van die verhalen bespaar ik U. Zoo bij het begin van het jaar .— het spreekt vanzelf dat ik U allen in gedachten reeds een „gelukkig Nieuwjaar" toegeroepen heb — wil men liever wat opbeurender lectuur.

Van opbeurend gesproken: bij de tallooze vereenigingen die wij reeds bezitten is er weer een bijgekomen, een „Nederlandsche Organisatie van Toonkunstenaren" gevestigd te Amsterdam. Die naam is reeds fout. Iedereen die les geeft of een of ander instrument een beetje bespeelt noemt zich bij ons maar „toonkunstenaar"; dat is bespottelijk. Toonkunstenaars zijn er in ons land misschien geen vijftig; muzikanten daarentegen kan men bij de duizenden tellen; dus zou de nieuwe bond organisatie van musici kunnen heeten. Ik houd er heusch niet van om op alle slakken zout te werpen, maar dat gesol met het woord „Toonkunstenaar" is in ons land zoo erg, dat een beetje verzet wel noodig geacht moet worden. Bovendien dient er ook tegen de moderne kwaal: overdrijven, te velde getrokken te worden. Lees nu zoo een circulaire, die de nieuwe Bond verspreidt: „Wij zijn allen het er over eens, dat het Nederlandsche muziekleven in tal van opzichten, zeer veel te wenschen laat. Zoowel op het gebied van het concertwezen als op dat van het onderwijs heerschen toestanden, die feitelijk onduldbaar zijn. Naar begaafdheid of bekwaamheid wordt in de laatste plaats gevraagd; de Nederlandsche landaard is een belemmering om zich te doen gelden en wanneer een Nederlandsche musicus erin geslaagd is, algemeene waardeering te verkrijgen, dan is dat in den regel langs een zeer langen, moeielijken weg van veel opofferingen en teleurstellingen"....

Sluiten