Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

83

§ 26.

Voordat we aan eenige voorbeelden uit de praktijk van onze meesters de voornaamste rhythmische verschijnselen demonstreeren, hebben we te spreken over den invloed van de harmonie op den rhythmus. Deze is van groote en ver-strekkende beteekenis.

Om de rhythmische beteekenis van de harmonie te begrijpen, moeten we ons rekenschap geven van de waarde der verschillende harmonieën in hun onderling verband.

En de eerste en allerbelangrijkste functie is daarbij de tonica. Het accoord van de tonica is het doel en het rustpunt van iedere muzikale gedachte, het tonica-accoord heeft de kracht van sluiting, is in rhythmischen zin zwaar. Alle andere accoorden zijn ten opzichte van de tonica in zekeren zin opmaat, d.w.z. verlangen naar voortgang, zijn dus dragers van de beweging; bij het optreden van de tonica treedt rust in. En hoe verder zich de harmonie van de tonica weg-beweegt, hoe grooter spanning, hoe grooter innerlijke beweging is er — tenminste wanneer de componist er eerst behoorlijk voor gezorgd heeft dat het gevoel van een tonica gevestigd is.

Zoo is ook modulatie — daar ze een verlaten van de centrale tonica is — een spanningsverschijnsel, en zal de waarlijk muzikaalhoorende geen volkomen rust voelen, ook als volkomen in die nieuwe toonsoort wordt afgesloten. Er blijft voor hem het gevoel nog niet „thuis" te zijn en daarmee de drang tot voortgang. Zoo verhouden zich dus de tonica's der in een muziekstuk voorkomende toonaarden tot den hoofdtoonaard, zooals de verschillende drieklanken van een toonaard zich tot de tonica verhouden. Een studie van de werken van onze klassieke meesters geeft ons een inzicht in de wijze waarop zij, met spaarzame middelen, een grootsche uitwerking hebben weten te verkrijgen, door deze wet toe te passen. Eerst wordt op

onmiskenbare wijze de hoofdtoonaard vastgelegd, daarna wordt in steeds wijder kring deze tijdelijk verlaten, om tot haar terug te keeren; en de verlossende uitwerking, welke een wéér-optreden van de oorspronkelijke tonica na een lang, spannend verwachten hebben kan, behoort tot de schoonste muzikale genietingen die men kan ervaren. (Wordt vervolgd).

UllllllllllllllllllllllllilUIIIIIIIIII^

Personalia.

I. Mossel f

Wij hebben het verlies te betreuren van den 53-jarigen Isaac Mossel, den grooten violoncellist en leeraar.

Zijn talent had zich merkwaardig vroeg en snel ontwikkeld. Aanvankelijk voor violist bestemd als leerling van zijn vader, en al in zijn geboorteplaats Rotterdam opgetreden met een concert van de Beriot, ging hij Köhler's, naderhand Eberle's violoncellessen nemen; in '84 mocht hij zijn eerste kunstreis (een Zwitsersche) maken; in '85, als vijftienjarige, was hij solovioloncellist van het Philharmonisch Orkest te Berlijn; in '88 werd hem bij de stichting van het Amsterdamsche Concertgebouworkest dezelfde betrekking aangeboden, waarin hij tot 1905 gewerkt heeft. Daarna gaf hij tijdelijk weer veel audities, en menigeen heugt zijn tournee met GodowsKi. Zijn kamermuziekspel kon men genieten bij het Conservatoriumkwartet en het door hem met Louis Wolff en A. B. H. Verhey gevormde trio. Zijn onderwijskracht hadden de conservatoria van „Toonkunst" in Amsterdam en Rotterdam. Aan eerstgenoemde school kreeg hij later ook de leiding der orkestklasse. Hij dirigeerde gaarne, soms in het buitenland, en toen Amsterdamsche musici verheffing boven de sfeer van minder artistieke bezigheid zochten in oprichting van een symphonie-orkest kozen zij hem tot aanvoerder.

Als edel virtuoos behoorde hij tot hen die de Nederlandsche muziekvertolking internationaal prestige hebben verschaft;

Sluiten