Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

209

zaten, pseudoniem, is enorm van omvang, en alles knap, vlot en persoonlijk. In zooveel jaren hadden wij — moet ik afkloppen? — geen oogenblik ruzie. Nooit is hij „zwaar op de hand," maar allerminst luchthartig in zaken waar iets mee gemoeid lijkt van recht en billijkheid, eer, goeden naam en fatsoen.

Landré, blijf ons trouw, ons allen met je werk, en je vrienden met de kameraadschap waarop ik trotsch ben.

* * #

De zestigste jaardag van Strauss doet een voortduren gedenken der Duitsche muziekovermacht. Daarmee was het na Wagner en ook na Brahms niet gedaan. Kreeg Mahler een equivalent of werd in een drie-en-veertigjarige zooveel verloren als in Reger? En nu Strauss — met geniale vermogens van een sedert Mozart ongekende dramatisch-episch-lyrische veelzijdigheid vertegenwoordigt hij zijn volk. Hij heeft misschien ook wel het leelijke van den Duitscher uit het overwinningsen weeldetijdperk weerspiegeld: smaakgebrek, overdaad, pronkzucht, uitdagende pratheid, sensatielust, geblaseerdheid. Zoo leek „terug tot Mozart" synoniem met weg van hem. Laat ons niet vergeten dat hij zeker dikwijls het een en ander zachter, intiemer, soberder bedoeld heeft dan het ons, bepaaldelijk door Mengelberg, is voorgesteld. Zijn Domestica vond hij volgens een brief aan Schillings een pastelstuk. Wij kijken ongeloovig: zou hij dat in ernst gemeend hebben ? Maar 't heugt menigeen van ons hoe zijn kleuren, waaraan wij trouwens al zoo lang gewend zijn, minder hard schreeuwden wanneer hijzelf ze weergaf. Buitensporigheden verweet de tijdgenoot Mozart eveneens. „Veel noten, mijn beste." — „Net zooveel als er noodig zijn. Majesteit" — ook Strauss had zoo met zijn keizer kunnen praten. Herhaaldelijk trok men tusschen hem en Mozart een parallel en ongetwijfeld niet steeds

uit genoegen in een paradox. Er is overeenkomst van opvoeding door een vader die gezag en inzicht als musicus had, verwantschap van tevreden aanvaarden der orthodoxe tucht en van gestadig en prettig componeeren in de kinderjaren, van vroege kundigheid en onophoudelijk verder ontwikkelden vorm- en evenwichtzin, van immer gebleven ontvankelijkheid voor eiken indruk, van menschenkennis en karakteriseeringsgaaf, opportunistische fantasiebeweeglijkheid, blij scheppingsbehagen en ondanks alle schranderheid van overleg en sterkte van wil haast naieve speelvreugd. Het leven was voor hem en Mozart wel zéér verschillend: voor hem een reeks van duidelijk heilzame, zelden onaangename, telkens naar ons begrip merkwaardig te rechter tijd gekomen duwen, het debuut als dirigent in Meiningen bij Hans von Bülow dien hij mocht opvolgen, de verschijning van Alexander Ritter, Wagner's en Liszt's apostel, de reis naar Italië, het werk te München, Bayreuth en Weimar, de ziekte (longontsteking en pleuritis) met de genezing in Griekenland en Egypte, het lief en leed met Guntram, waardoor hij zijn vrouw en zijn vrijheid tegenover Wagner verwierf, de met Feuersnot gekregen les om geen persoonlijke grieven muzikaaldramatisch uit te vieren, de bevindingen in den tweeden Münchenschen tijd (of den derden als men de jeugd meerekent) en bij 't vervullen der hoogste toonkunstenaarsambten van Berlijn en Weenen; daartusschen de zegening der sneeuwbergen bij 't eigen huis te Garmisch — voor hem geluk, roem en een wel door de gevolgen van den oorlog geslonken maar allicht weer flink wassend fortuinbezit. Misschien had een ander lot hem niet anders gemaakt. Zéér vast is zijn voor 38 jaren in den aanvang der rij symphonische gedichten stevig geworden individualiteit, al resoneert zij bijna gelijkelijk intensief op klaarheid en duisternis, op sentimentaliteit en hartstochtelijkheid,

Sluiten