Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Ook hier, eerst een levensbeschrijving van Puccini, waarin de auteur niet schroomt te wijzen op den bedenkelijken teruggang na Madame Butterfly, en waarin van het „verisme" in de opera wordt gezegd, dat het tendait a la brutalité, tout de même que, en litterature, le naturalisme qui voulait être naturel, s'acheminait indiscutablement vers le cynisme.

Dit staaltje van ronduit-zijn-meeningzeggen, geldt als een voorbeeld voor het gansche boek. In 't tweede hoofdstuk (La Genese de VOeuvre) vind ik b.v. de niet bepaald complimenteuse uitspraak, dat Tosca in de muziek is, wat de romans van Georges d'Ohnet en de melodrama's van d'Ennery in de literatuur beteekenen; op blz. 45 lezen wij een vermakelijk verhaal : de directeur van de Opera Comique, Gheusi, werd bestormd door zangeressen, die hem wilden bewijzen, dat zij de eenige geschikte vertolksters waren van de rol van Tosca. Een ervan trachtte in het gebed alles te leggen, wat zij aan hartstochtelijke voordracht te bieden had. Plotseling laat Gheusi haar ophouden en zegt: „eest parfait ma petite, mais je dois vous dire que je coupe la „prière" de Tosca."

En de zangeres, die juist op het nummer had gerekend om een onbedwingbaren bijval te ontketenen, moet verder hooren : „Que voulez-vous? C'est un voeu. Moi vivant, on ne jouera pas cette saleté~la dans mon théatre." Ik haal dit aan, om te bewijzen dat Coeuroy zijn taak opvat als de echte criticus, die 't goede zoowel als 't kwade aantoont. Omtrent dit laatste koestert hij scherp-omlijnde begrippen, en — voor alles — a hij bestrijdt wat tegen den goeden smaak zondigt, en niet minder wat hem geschreven lijkt met de bedoeling effect, en niets dan effect te maken.

Geeft hij het aanvangs-motief van de Opera dan noemt hij dit „la formule puccinienne du tragique" en hij qualificeert het als: „sec, brutal, sonore et figé"; van een quasi-gevoelige frase zegt hij dat zij

is: veel meer „expression de théatre'' dan „sentiment", en — uitnemend uitgedrukt! -— waar hij het heeft over de manier waarop Puccini zijn motieven ontwikkelt (of liever: niet ontwikkelt!) zegt hij dat bij hem de „homme de théatre" altijd boven den toonkunstenaar gaat.

Verder zegt hij nog dat een zeker mO' tief „s'efforce d'être héroique", spreekt van „romantisme de pacotille en uit de meening dat „une cantilene molle et galante, que susurre Scarpia om haar platte zoetelijkheid en hare begeleiding met kwartsext-accoorden, een plaats verdient in „les florilèges des pires romances."

Coeury laat evenwel nimmer na 't — naar zijn meening .— goede aan te wijzen; hij „beoordeelt" het werk van Puccini in den waren zin van 't woord. Daarom wensch ik het boekje in handen van vele opera-bezoekers en vooral van hen die .— nu nog — met Puccini door dik en dun meegaan. Wanneer zij het aandachtig lezen en over 't gelezene nadenken, zal hun smaak allicht een andere, n. m. m. betere richting nemen. Want dat is 't goede van het boekje: het tracht den smaak der ware muziekliefhebbers, die in onzen bandeloozen tijd zijn stuur verloren heeft, weer in de juiste richting te leiden.

De analyse van Lakmé mag ook hoogelijk geroemd worden. Zij begint eveneens met een boeiende biografische schets, die haar hoogtepunt vindt in een — door Camille Bellaigue voor de Rev. des deux Mondes geschreven — persoonsbeschrijving van den, blijkbaar zeer sympathieken, componist. In de „Genese de 1'Oeuvre" trekt zeer de aandacht de verzameling van critieken na de eerste voorstelling, ook de opgaaf van de zangeressen en de zangers die van 1891 tot 1915 de hoofdrollen hebben vervuld.

Uit de beschrijving van het tekstboek, blijkt dat de schrijver het zich niet gemakkelijk heeft gemaakt. Zijn onderzoekingen naar de bronnen van het onder-

Sluiten