Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

41

gebleven; zoo goed als zelden behoefde ik hem te herinneren, dat de lezers weder gaarne iets van hem zouden lezen; meestal kwam de bijdrage van zelf, en die waren nooit weinig of niet leesbaar tenzij dan door het — nu v. M. een schrijfmachine bezit, durf ik het wel zeggen — lang niet gemakkelijk ontletterbaar schrift. — Ik, ook geholpen door mijn trouwste redactiehulp, mevrouw Nolthenius, heb wel eens 'n bijdrage van v. M. tot verduidelijking moeten bijwerken. Mevr. N. heeft dat gedaan van een serie artikelen van v. M. waarvan des auteurs naam een geheim moest blijven, zelfs voor den uitgever. Ouderen van dagen zullen zich uit het W. v. M. wel herinneren de „Brieven van den suppoost van het presenteerblaadje van den Stadsschouwburg te Amsterdam." Min of meer in den geest — zeker niet minder geestig — van mijn destijdschen Parijschen correspondent,1) Henry Gauthier Villars (pseudonym Willy), den man van de veel besproken Colette, goot v. M. humoristisch zijn aan beteekenis niettemin rijke op- en aanmerkingen in den vorm, waarin hij zoo bij den neus weg, maar toch flink de waarheid kon zeggen. Die brieven zijn echt „ingeslagen", ook om de pseudonymiteit, die pas héél veel later is opgeheven door v. M. zeiven. Zoo'n succes heeft die bijdrage gehad, dat zelfs tegenover den auteur zeiven een ander (ik zeg natuurlijk niet, wie dat was) zich het auteursschap liet aanleunen met 't oog op het oogsten van eenig gracieus complimentje.

Maar van het samenwerken hier, kwam het ook daar of elders.

Ook in het H. B. van de Mij. t. b. d.T. ontmoetten we elkaar, we doen het nog steeds. Na de z. v. a. alleenheerschappij van vader Daniël in die vereeniging zijn er allengs meer kunstenaars (vakgenooten bedoel ik) in het H. B. gekomen. Vergis ik me niet ten eenenmale, dan heb ik ook om dit te bereiken krachtigen steun van v. M. gehad, aan wien ook — het kan niet anders dan uit sympathie — het vicepraesidiaat der Mij. is opgedragen. Teekenend is het, dat, wanneer hij den voorzitter nu en dan moet vervangen, aan den leider voor zijn hoffelijke voortvarendheid, een

woord van hulde en dank uit de vergadering zelden uitblijft.

Ja, wat v. M. doet, dat doet hij uitstekend, zóo, dat het als zoodanig wel moet opvallen: altijd en zonder noodeloozen omweg „ad rem"; voor mijn gevoel is hij nog steeds onder den goeden invloed van zijn studieverblijf te Parijs; ik zou het fransche tact van optreden willen noemen ; met een geestigheidje, een leuk woordenspelletje wordt veelal het zakelijk te behandelen agendapunt gekruid.

Aan die eigenaardigheden, (geen eigen aardigheden) of beter gezegd, goede en mooie eigenschappen, zijn beminnelijkheid en die — ondanks al het hoffelijke — oprechtheid van toch nooit na te laten te zeggen, wat of hoe zijn meening is, dankt v. M. zeker ook, dat hij na Viotta's vertrek tot Voorzitter is gekozen van de Nederl. Toonkunstenaarsvereeniging; men zal weten, dat daar de stemmen slechts door pa/cgenooten worden uitgebracht en, kennende de wrijving van meeningen bij alle dienaren der kunst in welk deel ook, mogen wij dit voorzitterschap wel als bewijs beschouwen van wat v. M. voor die instelling waard is.

Als voorzitter van de Examenregelingscommissie der Mij. t. b. d. Toonkunst woon ik zoo goed als geregeld de examens zelf bij; v. M. is steeds lid der examencommissie en zijn mede-examinatoren kiezen hem, ook al geregeld, tot hun voorzitter. Ook bij die examens heb ik gelegenheid v. M. bewonderend te volgen; behalve dan als voorzitter het examen leidend, komt hij zelf meestal op voor de muziekgeschiedenis. Geen wonder; immers wie zou het beter kunnen dan de schrijver van het op éven kostelijke wijze van buiten als van binnen bevredigend boek: „Ontwikkelingsgang van de muziek van de oudheid tot onzen tijd."')

Waarom v. M. na Jacques Hartog's verscheiden — hij was privaatdocent in de muziekgeschiedenis aan de Amsterdamsche Universiteit — niet terstond tot dit ambt door Curatoren is uitgenoodigd, is en blijft voor mij een raadsel. Na het toch povere figuur, dat de een in het domein der wetenschap gemaakt had, zou de ander zonder eenigen twijfel, veel, zoo niet alles

J) Ik had die toch maar in de wereldsteden Parijs, Londen, Berlijn en Weenen!

') Uitgave Wolters, Groningen en 's Gravenhage.

Sluiten