Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

61

ben Cornelius in den schouwburg te houden. De concertzaal had hun belangstelling minder. En toen de strijd over Wagner voorbij was, eischten lateren daar aandacht. Met orkestwerken dong hij trouwens niet mee. Liszt heeft hem zelfs moeten aanzetten tot een ouverture bij Der Barbier en gezegd: ik maak die wel als je wilt. En er is van hem geen instrumentale kamermuziek.

Maar menig edel koorstuk gaf hij. Waar zijn ten onzent de mannenzangvereenigingen die daarvan getuigen, en waar de gemengde die ten minste doen weten hoe weldadig het eerste deel der religieuze trits Liebe zegent met de tintenwisselingenen samensmeltingen der twee vierstemmige groepen en met de refreinmelodie van hartelijke wijding ?

En waarom negeeren de solisten zijn liederen? Zij meenen misschien dat die thuis het best klinken. Daarin kunnen zij gelijk hebben. Maar velen ontberen een muzikaal thuis en tamelijk weinigen zijn een vocaal thuis rijk. En zij die gisteren een abonnementsconcert hadden, bijvoorbeeld in hun vierde genootschap, en er morgen een krijgen in hun vijfde, musiceeren vanavond allicht niet en nemen liever een boek.

Wel zou dat niet ditmaal een bundel van zijn verzamelde verzen, brieven en opstellen kunnen wezen, of Sulger-Gebing's bloemlezing uit zijn gedichten, of Istel's biografie? Dan gaat zeker den volgenden vrijen avond, zoo niet dezen al, de piano voor hem open.

De musicus in hem overtreft den dichter, maar beiden beeldt Louis' karakteriseering in Die Deutsche Musik der Gegenwart, 1909:

Er war — um ein viel missbrauchtes Wort zu gebrauchen .— in Wahrheit eine anima candida, ein Mensch, der in seiner Bescheidenheit, Anspruchslosigkeit und Selbstvergessenheit sehr weit von dem entfernt war, was die Welt so gemeinhin

als das Ideal eines „Lebenskünstlers" ansieht, dem dafür aber jene andere, von so wenigen geübte Kunst eignete, sich einen Schatz rein innerlicher Beglückung und Beseligung zu gewinnen, der gefeit ist gegen jegliche Beraubing durch ausseres Leid und Ungemach, die wahre „Krone des Lebens", das köstliche Gut des Gottesfriedens, der „höher ist als alle Vernunft." Eine durchaus harmonische und einheitliche Natur, bei der Leben und Kunst in seltener Weise zusammenstimmten, liebenswürdig im eminenten Sinne des Wortes, doch ohne jede Nebenbedeutung des Kleinen und Unbedeutenden, die man mit dem Begriff des „Liebenswürdigen" so gern verbindet, — ein heller Kopf und scharfer Verstand, aufgeschlossen allem Neuen und Zukunftverheissenden, was seine Zeit ihm darbot, aber auch erfüllt von einem warmen Gefühle für die Poesïe des ehrwürdig Alten, von jener Pietatsromantik, die wohl keiner echten Künstlerseele ganz fehlt.

Dat te voelen bij de geluksweelde van Komm wir wandeln zusammen, de zaligheid der Brautlieder, die Liszt en Schumann samenbrengen met den derde wiens innige verrukking een wat gewone wending doet vergeten, het nog geheel oudromantische maar niet verouderde klagen waar opus 1 mee begint, de fijne stip van het zwevende groene spinnetje, de stille grootheid van het korte requiem-adagio dat Angedenken heet, de zachte bewogenheid der omspeling van Ein Ton, de vrome trouw der meditaties over de beden van het Onze Vader, de liefde der vereenzelviging met de kinderen voor den Kerstboom, het is een heil waarvoor nog, en nu vooral, ontvankelijkheid moge wezen ook in de modernste woning. v. W.

Sluiten