Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Albert Sckweitzer's boek, J. S. Bach

door

MARGUERITE DE ROUVILLE

(Slot).

Over phraseering, dynamische nuanceering en accent bij Bach schrijft Schweitzer dingen, die men niet weder vergeet. Het legato, dat algemeen beschouwd wordt als de karakteristieke eigenschap van Bach's muziek, is volstrekt niet een „binden der tonen", dat zichzelf steeds gelijk blijft; integendeel : het bestaat in een oneindige veelzijdigheid van notengroepeeringen. Vier zestienden zijn bij Bach niet zóó maar vier zestienden, maar het materiaal voor tallooze combinatiën, naarmate zij onderling gegroepeerd worden, b.v.:

.77: °f .7:1 °f .Tfj of Trr.

of 47?3

Men meene vooral niet — (schrijft Schweitzer) dat men Bach's bedoelingen weergeeft, indien men zijn werken volkomen korrect en glad afspeelt, zoodat iedere noot tot op een honderdduizendste tot haar recht komt; en evenmin, dat de vingerzetting die tot dit doel leidt, de aangewezene is! Men moet daarentegen die vingerzetting kiezen en de noten aldus verbinden, dat de groepeering, zooals Bach zich die voorstelde, met de daarmede samenhangende accenten tot hun recht komen.... Als algemeene regel kan men aannemen, dat bij Bach ieder motief en iedere passage zóó gespeeld moet worden, alsof men ze op een strijkinstrument uitvoerde." Weer denkt men aan Marie Jaëll's scherpzinnige en artistieke ontleding van het klavierspel.

Bij hoofdstuk 19, onder het opschrift: „Bach und die Aesthetik" begint ten slotte het gedeelte van dit merkwaardige boek, dat ons het sterkst boeit vanwege de ver¬

rassende vergezichten die het voor den onbevangen lezer, ook voor den begaafden leek, doet opengaan.

In een drietal korte verhandelingen leert de schrijver ons een nieuwen Bach kennen. Naast den geweldigen componist van een bijna mathematisch gestrenge, zeer ingewikkelde polyphone muziek, staat nu de even diepzinnige, maar o! zoo begrijpelijk geworden schilder-toondichter, de toovenaar, die ieder menschelijk gebeuren, iedere aandoening der bewogen ziel, alles wat een menschenhart ontroert, als 't ware aanschouwelijk in tonen verklankt, en alles wat aan indrukken den geest treft, in hooge symboliek weergeeft.

Hoe brengt Schweitzer ons Bach nader bij, hoe maakt hij hem ons vertrouwd!

Het nu volgende gedeelte van het boek is geheel gewijd aan, en doordrongen van deze zienswijze, en om te beginnen bespreekt Schweitzer van af dit standpunt het zoog.: „Orgelbüchlein (tusschen de jaren 1708—1717 — dus in Bach's jeugd — ontstaan), eene verzameling koraalvoorspelen, in welke Bach een geheel persoonlijken en nieuwen kunstvorm schept. Tegenover den „cantus firmus", die gewoonlijk in de bovenstem ligt, en die zonder onderbreking of wijziging zijn weg vervolgt, treedt hier een tweede melodie op, die zich vrij voortbeweegt. Dit tweede motief geeft de beteekenis van de woorden in den koraaltekst getrouwelijk weer, het vormt dus als het ware een muzikale illustratie van den „cantus firmus". Schweitzer schrijft: „Het „Orgelbüchlein" is een van de grootste muzikale gebeurtenissen. Nooit had tevoren iemand de poging gewaagd, om een muzikalen tekst aldus zuiver in tonen te vertolken; later zal niemand het meer ondernemen met zóó eenvoudige middelen. Tevens treedt in dit werk het eigenlijke wezen van Bach's muziek klaar te voorschijn. De Meester wil zijn gedachten plastisch uitdrukken en vindt in dat pogen zijn hem voortaan eigene tonen-

Sluiten