Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

155

schatte. Waarop Busoni door denzelfden tusschenpersoon liet antwoorden: Strawinsky zou deze klassieken even zoo hoog schatten, wanneer hij ze slechts goed kende! Ik herinner me hoe van Anrooy, die een deel van zijn vorming in Rusland onderging, eens vertelde, dat het hem zoo verwonderd had, dat men daar, ook bij het onderwijs, aan deze klassieken in casu Beethoven lang niet de beteekenis pleegde te hechten als bij ons het geval is. Doch hier, in West-Europa, daar heeft men zich inderdaad van Beethoven een idool gemaakt; niet waar, in een zekere levensperiode heeft geen meester onze fantasie meer verlevendigd, heeft geen persoonlijkheid ons meer geboeid, geen kunstuiting ons meer aangegrepen, dan de verschijning Beethoven, wiens persoonlijkheid voor ons, evenals Napoleon, reeds min of meer legendarisch is geworden. Niet Bach, niet Mozart, ook niet Wagner, van wiens overweldigenden invloed op een vorig geslacht de tegenwoordige jeugd zich nauwelijks een voorstelling meer kan maken, waren het, die deze suggestie konden uitoefenen. Het was somtijds iets obsessioneels; een tien of twintig jaar geleden waarde Beethoven in tal van gedichtbundels rond in min of meer symbolisch kleed, ik herinner me een kunsttentoonstelling, waar ik hem vier, vijf maal op schilderstukken ontmoette, bij grafleggingen, „pieta's", misschien in navolging van Klinger, die hierin voorgegaan was. Zeide ik niet, dat we ons reeds een legendarische figuur gedicht hebben? Want misschien nog minder uit zijn werk, dan wel uit de voorstelling van zijn persoonlijkheid en zijn levens verschijning dichtten wij in een bijna religieuze aandacht een verschijning, die voor ons innerlijk leven die overweldigende beteekenis kon hebben. Het is tenslotte van weinig belang te weten of deze Beethoven, zooals eenige geslachten dien hebben gezien, met den werkelijken mensch nog wel veel gemeen heeft gehad. Ik waag het te betwijfelen, of deze romantische visie juist was.

Zijn we er ons wel van bewust hoeveel conventie er in onze appreciaties en dus ook in onze bewondering ligt; dit in het algemeen gesproken. Ook bij hen, die zich on-conventioneel dunken. Zegt niet de oppervlakkige, maar geestige Shaw ergens in „Candida", dat de onconventio-

neelen zoo conventioneel kunnen zijn ? De erkenning, dat we in conventies verstrikt zijn, is misschien bewijs van een eerlijk pogen tot bevrijding. Hoe is het met onze bewondering gesteld: noem enkele namen, Michelangelo, Shakespeare, Bach, Beethoven, en ge zijt onmiddellijk bevangen door een zekere devotie, die uw kritische, dus zelfstandig denkende zintuigen uitschakelt. Er is een massa-begrip van onaantastbaarheid van enkelen, heel enkelen — over Goethe b.v. zouden we reeds kritischer zijn — waaraan men zich met geweld onttrekken moet.

Ik herinner me een episode uit mijn studietijd. We voelden ons daar — het was te Keulen — als Beethovenadepten; dat kwam, omdat onze leeraar de oude Franz Wüllner zich als een directe „afstammeling" van Beethoven voelde, wijl hij in zijn jeugd nog onderwijs had gehad van Anton Schindler, „1'ami de Beethoven." Eens op een dag zeide een mijner leeraren, het was een fijn kunstenaar: „Beethoven is een componist, die mateloos overschat wordt." Wij, die in dien tijd toch waarlijk niet bevreesd waren „heilige huisjes" om te werpen, wij waren stil en hadden geen antwoord voor dien beeldenstormer. Doch later kon ik niet anders erkennen, dan dat dit eindelijk een zelfstandig oordeel was, al was dit oordeel allicht niet meer dan een frase. Want wat wil zeggen „overschat", wanneer de persoonlijke elementen bij het schatten van kunstwerken niet meer invloed kunnen oefenen? Het schatten is toch slechts een waardeeren, een vergelijken met anderen en aangezien dit vergelijken verband houdt met den collectieven smaak, wederom een conventioneelen factor, kunnen we die schatting alleen begrijpen in verhouding tot een bepaalde periode van levensuiting en kunstbeoefening. Is b.v. Mendelssohn hiervan niet een sprekend voorbeeld, eerst overschat, waarbij gedurende het leven het persoonlijke element stellig een rol heeft gespeeld, toen onderschat en thans „juist" geschat, wie zal het zeggen of beoordeelen? En Mozart, misschien meer dani een eeuw onderschat en thans doch hierover later.

„Overschat" zeide de hierboven aangehaalde kunstenaar. Het gevolg zou dan zijn „te veel uitgevoerd". Laten we het eerste eens laten rusten en ons afvragen,

Sluiten