Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

197

voorbeeld, gemakkelijke, boeiende lectuur. Het kleine kijkje dat ik u heb gegeven in 't gebied van het muzikale zien, zal u wellicht ook overtuigen dat door invoering van dat muzikale zien bij 't muziekonderwijs, een weg tot vooruitgang gebaand en onderwijzer zoowel als leerling gebaat zou worden.

miiinii iiiimruiiitïiEiitifiiiii(iiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiuiiiiiiiitiiifiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiMitiiiiiii>iiiiiii(i<

Overledenen. Te Stockholm is in den ouderdom van 78 jaren de componist, dirigent en criticus Andreas Hallén gestorven. Hij was leerling van het Leipzigsche conservatorium en van Rheinberger maar werd in Zweden een vurig Wagner-propagandist. Van zijn werken, opera's, oratoria, kleinere kooren solo-composities, orkeststukken en liederen is ook in Duitschland, niet voor zoover wij weten hier, het een en ander gegeven.

Uit Florence werd de dood bericht van den achtenzestigjarigen prof. Paul Marsop, een suggestieven schrijver over muziek en musici, speciaal Wagner-kenner, maar ook beschouwer van sociale quaesties en initiatiefnemer tot het stichten van vele volksmuziekbibliotheken. Levendige belangstelling vond indertijd zijn ijveren voor onzichtbaarheid van het orkest ook in de concertzaal, een idee dat ten onzent een deel van het programma der vereeniging Beethovenhuis is geweest. iiiiiiiiiiiiiinimiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii>iuiiiiiiitfitiitiiiiiii»»\i'b'>ui]iiiiii[iu<miiiHiiiii imiiim •nnimnumu

De Italiaansche opera te Amsterdam

door S. KALFF

„lm Tanz wie im Gesang," zoo schreef v. Hellwald in zijne Geschichte des Hollandischen Theaters van de Nederlandsche natie, „hat dieses Volk niemals Grosses geleistet. Was die Oper betrifft, so ist dieselbe bei den Hollandern womögli ch noch weniger national wie das Ballett."

Deze uitspraak als daadzaak aannemende lag het voor de hand, dat men in Nederland ten opzichte van het zangspel reeds vroeg bij het buitenlandsch tooneel ging borgen. Dezelfde schrijver verklaarde dan ook, dat men er gedurende langen tijd de groote opera slechts kende uit de opvoeringen van vreemde artisten, vooral Fransche en Italiaansche. Toch bestond er op het eind van de 17de eeuw eene onderneming te Amsterdam, welke men als de voorloopster van de latere Italiaansche opera's had mogen aanmerken. Ze ging uit van een geboren Amsterdammer, Theodore Strijcker (door sommigen ook Dirk Strijcker genoemd), wiens vader consul der Republiek te Venetië was geweest. Daar had de zoon zijne voorliefde tot het Italiaansche tooneel opgedaan, en op 35 jarigen leeftijd naar Amsterdam teruggekeerd richtte hij daar zijn privé theater op.

Behalve dat hij voedsterling van de Italiaansche muze was, vloeide er ook toonoelbloed in zijn aderen; door zijne moeder, Elisabeth Roodenburg, was hij verwant aan ridder Dirk Roodenburg, en tevens aan deftige Amsterdamsche families. Omtrent de standplaats van het gebouw bestaan verschillende opgaven. Aanvankelijk was daarvoor bestemd de Schermschool op de Turfmarkt; volgens den een werd de inrichting echter gevestigd op de Prinsengracht bij de stadsklokgieterij, volgens den ander op „het erff gelegen op de lysse en keysersgraft naast de twee turflogiën," terwijl dr. Scheurleer opgeeft dat aan Strijcker vergund werd tijdelijk den Stadsschouwburg te bespelen tegen eene retributie aan de beide Godshuizen. Voorts dat die vergunning niet verlengd werd, waarschijnlijk doordien hij in gebreke bleef om aan die geldelijke verplichting te voldoen, 't Hielp niet, dat hij in een rekest aan burgemeesters zich daarvoor beriep op zijne „excessive kosten, zijn slechten en miserabelen stant." Elders vindt men de opgave dat hij, om de ver-

Sluiten