Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILÏA EN HET MUZIEKCOLLEGE

219

orde; want de Meester was van oordeel, dat iemand die componeeren wil, daarnaast een uitstekend vakman moet worden. Men ziet uit dit alles, dat Hol niet alleen een degelijk, maar ook een menschkundig en praktisch leermeester was. Bovendien bezat hij de gave om zeer gewoon en eenvoudig met zijne leerlingen om te gaan en toch voortdurend respekt af te dwingen ; hij kende zijn eigene waarde zeer goed maar nam nooit het hooghartig air aan waarmede de z.g. „Haage-Priesters in de Kunst" in dien tijd jongeren of minderen in de kunst wel tegemoet traden.

Er is dan ook geen enkele oud-leerling van Hol, die niet volkomen vervuld is van groote dankbaarheid voor de vele vaderlijke raadgevingen, die hij van den éminenten kunstenaar mocht ontvangen. Allen bewaren zij nog steeds in werkelijken eerbied de herinnering aan hetgeen deze groote man voor hen is geweest.

Thans rest mij nog te spreken over Hol's verdiensten als dirigent; in de werkzaamheid van het dirigeeren heeft hij zijne artistieke voortreffelijkheid nog wel het meest getoond.

Naar hetgeen ik in den aanhef van dit artikel gezegd heb, kan men wel nagaan hoe de richting was, die in ons land heerschte in den tijd toen Hol begon te dirigeeren.

De meest ernstige musici en muziekvrienden waren geheel vervuld van de principes, die Verhulst uit Duitschland had medegebracht en die voor de klassieken en de Duitsche romantici dan ook voortreffelijk waren. Dit is ook niet verwonderlijk, want onze muziekbeoefening stond in die dagen ontzettend veel lager dan die in Duitschland. Maar de strengheid dier principes werd fnuikend voor de nieuwere richting in de muziek.

Ook te Utrecht, waar Hol in 1862 eerst recht zijne dirigentengaven begon te ontplooien waren de voorname kringen in de toonkunst dezelfde strenge richting toegedaan.

En, ofschoon Hol met de grootste piëteit stond tegenover alle klassieke en meesterwerken en de romantiek van Schumann, Mendelssohn warm toegedaan was (ook voor Brahms had hij de grootste vereering), bracht zijn vrijheid van geest en zijne veelzijdigheid toch vanzelf mede, dat hij ook de meesterwerken van nieuwe richtingen tot hun goed recht wilde brengen, en hij deed dit dan ook met de grootste vastberadenheid. Hij was in 't geheel niet de man om zich door begrippen van anderen aan banden te laten leggen. Tot eer van de meer behoudenden in Utrecht dient geconstateerd te worden, dat dit streven van Hol nooit werd tegengewerkt; men voelde algemeen, dat men hier met een groot kunstenaar te doen had, die, als zoodanig, eene sterke overtuiging mocht hebben.

Ik wil er dan hier ook even op wijzen, dat de bewering, welke in den tegenwoordigen tijd wel eens wordt geuit, als zou Utrecht de bakermat zijn geweest van reactie en conventie op muzikaal gebied, zeer zeker tot het rijk der sprookjes behoort verwezen te worden. Wel is het een feit dat Josef Joachim, Joh. Brahms en andere groote Duitsche meesters, aangetrokken door de éminente kunstenaresse Emma Engelman (eene artieste en pianiste „von Gottes Gnaden") gaarne in Utrecht verkeerden; maar het is eveneens een feit, dat Richard Hol in dienzelfden tijd de toenmalige moderne muziek onafhankelijk en naar eigen kunstenaars-geweten pousseerde. Berlioz, Wagner, Liszt werden door hem uitgevoerd, en omstreeks 1880 bracht hij op een Stadsconcert reeds een sinfonie van Bruckner ten gehoore. Ik herinner mij ook nog levendig hoe Hol ons in de harmonielessen op de schoonheden uit de nieuwe werken wees.

De koor- en orkestkrachten waren in het begin van Hol's optreden te Utrecht zeer bescheiden. Met behulp van vele kunstvrienden (waaronder de bekende, zeer begaafde Jhr. Mr. J. C. M. van Riemsdijk)

Sluiten