Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

265

disch element, de gerektheid en onnatuur in den tekst — verwijten, die in hun scherpte en algemeenheid door het na-Hanslickgeslacht niet worden gedeeld, maar die toen instemming vonden bij een Hebbel, Gregorovius, Gustav Freitag, Zahn, Hauptmann e.a. Wagner's grootheid is door Hanslick steeds erkend, maar W.'s „richting" achtte hij schadelijk en ernstige bestrijding waard. Eigen smaak hield hem van Wagner af, evenals van Bach en van Gluck en van de Grieksche tragici: moeten wij onvatbaarheid aannemen voor wat wij noemen „het verhevene"? Om zijn standpunt juist te zien moet gij u herinneren ook wat hij schreef over Beethoven's Negende, met name over het laatste gedeelte met slotkoor dat hij „unschön" noemde. Toen in de Augsb. Allg. Ztg. iemand de formeele grondgedachte dier symphonie gegispt en in 't algemeen een koorzang als slot van een instrumentaal werk als een „aesthetische Ungeheuerlichkeit" veroordeeld had, en hierop een Beethoven-bewonderaar met 'n uiteenzetting van den inhoud van elk der deelen en hun symboliek, antwoordde, schreef Hanslick: „Das ist höchst charakteristisch für eine ganze Schule musikalischer Kritik, welche der Frage, ob eine Musik schön sei, mit der tiefsinnigen Erörterung auszuweichen liebt, was sie Grosses bedeute.

Zoo komen we vanzelf op het boekje dat H's naam beroemd maakte, en sedert 1854 in steeds nieuwe herdrukken bewijst, niet enkel bij vaklieden, maar ook in wijder kringen belangstelling te blijven trekken. Verklaring van het groot opzien dat Vom masikalischSchönen, „Ein Beitrag zur Revision der Aesthetik der Tonkunst" bij zijn verschijning baarde; van de heftige tegenspraak die het uitlokte en den langdurigen strijd die het gevolg er van was, vinden wij in de omstandigheid dat in dien tijd de „idealistische aesthetica", de gevoelstheorie, nagenoeg alleen aan het woord was, en de muziek enkel ge¬

prezen werd als de kunst om gewaarwordingen weer te geven en op te wekken; over de schoonheid der muziek werd niet gesproken, maar over wat zij ons doet verbeelden en doet gevoelen. Men gaf aesthetische recepten, hoe zekere hartstochten gecomponeerd behoorden te worden, en wanneer muziek een zedelijke strekking of onzedelijke uitwerking heeft. Op blz. 10 en 11 van het boekje (le uitg.) somt Hanslick eenige dier voorschriften op, en op zulke buitensporigheden van het aesthetisch idealisme kwam noodwendig de terugslag van het aesthetisch formalisme, dat den gevoelsinhoud als iets buiten-aesthetisch verwerpt, en geen anderen „inhoud" aanneemt dan de toonvormen zelf: inhoud en vorm éen.

Met die oppositie tegen het „idealisme" en zijn uitwassen was vóór Hanslick reeds Herbart aangevangen („Lehrbuch zur Einleitungin die Philosophie"), en Hanslick — die gewoonlijk nader aangeduid wordt als „de man van de Arabeske" — is evenmin de eerste geweest die de muzikale compositie op één lijn met de arabeske stelde, aldus het karakter der muziek terugbrengend tot een lijnenspel, tot de figuren der beeldende kunst; dezen eenzijdigen kijk had al Nageli in zijn „Ueber Musik mit Berücksichtigung der Dilettanten," 1826, toen hij schreef: „Die Arabeske erzeugt in uns eine spielende Gemütsbewegung, eine musikalische Stimmung." Altijd heeft men 't over Hanslick's vergelijking met arabeske of kaleidoskoop, maar weet men wel dat hij het gewaagde dier vergelijking zélf heeft ingezien: men legge naast de eerste uitgaaf van Vom musikalisch Schonen bijv. den 8en druk. Heette het eerst dat de arabeske het wezen der muziek „recht treffend" aanduidt en dat wezen „sehr nahe' 'komt, later „kommt sie ihm nur einigermassen nahe und wird sie ihm nur entfernt gerecht"; de vergelijking heelemaal laten vallen, dat deed hij echter niet. Het gewichtigst en vruchtbaarst achtte

Sluiten