Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

155

das Umwenden der Blatter besorgt". De in de 13de en 14de eeuw zich langzamerhand voltooiende ontwikkeling der kunstvolle, meerstemmige muziek deed van zelf de behoefte ontstaan, aan de notenwaarden een nauwkeurige bepaalde mensuur en een zekeren maatstaf der grondbeweging te geven. Voor dezen „integer valor notarum" der mensuraalmuziek stelde men den tijd vast, welke men bij matige beweging voor het dalen en het opheffen der hand noodig had, of — zooals de theoreticus Gafurius schrijft — zoolang de ademhaling van een rustig ademhalende duurt. Daar de dirigent bij een neerslag de lessenaar of het muziekboek aanraakte, noemde men zulk een tijdsduur een „Taktus" (aanraking). Het hoorbare maataangeven door middel van een papieren rol is bij de Italiaansche geestelijke vocale muziek, welke gewoonlijk door een koor van 16—24 (ten hoogste 32) zangers werd uitgevoerd, vanaf den eersten tijd der meerstemmige muziek tot op heden behouden gebleven, zooals bijv. nog nu het geval is te Rome in de St. Pieterskerk of in de Sixtijnsche kapel. In Duitschland en Engeland bediende men zich van hetzelfde middel, (echter minder opdringend en alleen bij kleinere kerk-uitvoeringen) tot in het begin dezer eeuw, zooals bijv. nog in 1827 in de St. Pauls-Cathedraal te Londen.

De mededeelingen, welke ons overgeleverd zijn omtrent de meest gebruikelijke wijze van dirigeeren in de 16de en 17de eeuw leeren ons, dat bijna overal, met name voor de kerkmuziek, de van oudsher practisch gebleken papierrol in gebruik bleef en slechts bij uitzondering, bij medewerking van een grooter aantal musici, door een staf werd vervangen.

A Cappella-voordrachten van kleinere koren en evenzoo de grootere kerkuitvoeringen met medewerking van instrumen¬

talisten werden in Italië, ook in de 18de eeuw met een papieren rol hoorbaar geleid. Goethe, die in 1786 een uitvoering in de kerk dei Mendicantie te Venetië bijwoonde, schreef daarover: „Es ware ein trefflicher Genuss gewezen, wenn nicht der vermaledeite Kapellmeister den Takt mit einer Rolle Noten wider das Gitter und so unverschamt geklappt hatte, als habe er mit Schuljungen zu thun, die er eben unterrichtete".

Hetzelfde attribuut werd ook, zooals reeds gezegd, in Duitschland, daar echter met de uiterste ingetogenheid, gebruikt, want zorgvuldig werd alles wat storend en afleidend kon werken, vermeden. De „Critische Musicus" van Joh. Adolph Scheibe (Hamburg 1740) meent zelfs, dat het voldoende is, wanneer de dirigent „die Mensur im Anfange des Satzes ein oder zweimal stark anschlagt und dann mit der Hand, bis zum Schlusse, durch eine massige Bewegung bemerket; überhaupt muss er bei der Aufführung selbst das Taktschlagen — so viel wie möglich — zu vermeiden suchen". Misbruiken, als hard stampen met den voet, buitensporige bewegingen, hoofd- en lichaamsverdraaiingen, schenen overigens reeds in de 17e eeuw zich zoo algemeen te vertoonen, dat daarop scherpe kritiek werd uitgeoefend.

Als een belangrijke hervorming van de sedert eeuwen gebruikelijke leiding der kerkmuziek, werd bijna gelijktijdig met de „uitvinding" der opera (omstreeks 1598) de directie van het clavecimbaal af ingevoerd. Reeds Monteverdi noemt bij de opsomming der "orkestbezetting van zijn in 1609 gedrukte „Orfeo" in de eerste plaats dit instrument. Het clavecimbaal bleef voor den geheelen bloeitijd der Italiaansche opera het middelpunt, waarvan het welslagen der uitvoering afhing. De kapelmeester speelde op dit instrument den basso continuo met de daarbij behoorende harmonie, begeleidde de recitatieven en gaf het orkest en den op het tooneel mede-

Sluiten