Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

219

ze ook als „ezelsbruggetje" onschatbare diensten.

Met dat al blijft de programmakeuze een quaestie van fijn gevoel. „Toont mij uw programma en ik zal u zeggen, wie ge muzikaal zijt," zoo zou een variant kunnen luiden.

Le stile, c'est homme. Ook in de muziek. Den Haag.

i:t:)!:t:jr:!r:ï(jr:;Nicr:j::if:!r:::;r:!f:iri!:i::i::iii:■; : ■.. '.: :: !.;:. ::m:i::!:i:iii mi uw

Paul Whiteman en zijn „Jazz-Band".

Wanneer men over de Kapel van Paul Whiteman gaat schrijven moet men maar beginnen er een beetje zijn gewone bedaardheid bij te bewaren. Lieve deugd, zeg ik tegen den eene, hemel het niet zoo op, het is heusch té gek om daar zoo de lucht mee in te gaan; en den andere tracht ik te kalmeeren door hem toe te voegen: maak je er toch niet zoo boos over en scherm niet zoo met die vreeselijke woorden: ontaarding, ondergang, "want het is waarlijk niet zoo de moeite waard. Die „Jazz" is een verschijnsel van dezen tijd, een van de vele verschijnselen, die komen, in een ommezien de geheele wereld winnen, om dan weer te verdwijnen even snel als zij gekomen zijn. Bewaar toch uw ammunitie voor edeler wild!

Trouwens, al die modewoorden missen — door misbruik — kracht. Iedereen schreeuwt tegenwoordig dadelijk en bij alles: decadentie. Wanneer een muziekstuk door nieuwen klank niet in uw oor ligt; wanneer een schilderij niet dadelijk uw oog bekoren kan, dan komt ge maar met uw „decadentie" voor den dag en bij de menigte hebt gij succes, zelfs bij hen, die om den dood niet graag een korte, duidelijke verklaring van het woord zouden willen geven. Het zijn altijd een stuk of zes oude muziekleeraren, die in ons land precies „de grenzen van het schoone" benevens de wetten van de natuur schijnen te weten. Van hen moet iedere kunstenaar, die wat gemaakt heeft immers

altijd hooren, dat gezegde grenzen van het schoone overschreden zijn of dat het tegen de wetten van de natuur indruischt. Dat maakt de zaak voor het nieuwe in ons land moeilijk.

„Wanneer mij iets niet direct bevalt keur ik het af; een kunstwerk dat ik niet dadelijk begrijp, dat is decadent, iemand die zich bij het componeeren niet houdt aan het recept dat ik indertijd op het conservatorium geleerd heb en dat ik nu mijn leerlingen weer bijbreng, zoo iemand is gek." Dat is ongeveer de leer van de oude muziekonderwijzers, een leer die het nieuwe op den duur niet schaden, maar het wel een tijd tegenhouden kan. En nu is het nog moeilijker geworden sedert een groepje jongeren, geprikkeld door de behoudende gezindheid van wat zich dan in ons land „toonkunstenaars" belieft te noemen, een tegenaanval op touw gezet heeft, en alles wat zich als „nieuws" aanmeldt begroet met een overluidruchtig hoerageroep, alsof er telkens van de grootste kunstdaden gewag gemaakt moet worden. Zoo ging het bij Whiteman ook weer: dat is een moord op de muziek, dat is zedeloos, bestiaal, zei de een; daar geef ik alle klassieke muziek voor cadeau, meent een ander.

Wie goed bij Whiteman's orkest geluisterd heeft, moet gehoord hebben dat dit ensemble samengesteld is uit perfecte musici, uit menschen die hunne instrumenten met een volkomen meesterschap behandelen. Dat valt eenvoudig niet te ontkennen, evenmin als het feit, dat het samenspel van waarlijk schitterende hoedanigheden is; niemand kan ontkomen aan de overtuiging, dat de techniek van Whiteman's gezelschap het volmaakte nabij is, dat het rhythmisch gevoel van alle medespelenden tot in het uiterste ontwikkeld mag heeten. Met dit orkest worden bovendien meermalen klankeffecten bereikt van zeer bijzonderen aard; mitsdien is er reden genoeg om niet over dit orkest te spreken alsof het nu letterlijk heelemaal

Sluiten