Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

274

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Moins porté a s'épancher librement qu'a solidement construire, il ne se laisse jamais égarer dans ces gracieux épisodes pleins d'imprévu, dont les savoureuses et claires harmonies s'élancent, se ploient ainsi que des rameaux flexibles, et qui sont comme les frais méandres dun bosquet oü 1'on apercoit 1'azur a travers la voüte du feuillage. D'une main süre, dirai-je impitoyable, M. Dukas conduit la trame de ses développements; il la prolonge jusqu'a 1'infini et laisse 1'auditeur sous le coup de 1'absolue maïtrise. Par la, et quoique peu nombreux, son oeuvre musical commande le respect et 1'admiration pour la probité, la conscience, le laborieux effort dart dont il témoigne."

Stellig is in dat oordeel over hem 't erkennende volkomen juist en 't andere niet louter miskenning, maar een warmer gevoel verdient hij toch ook. v. W.

IIIII1IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIM

Het Praatje van de Maand.

Wanneer dit Praatje verschijnt zijn de deuren van concertzalen en schouwburgen geopend, is alles in vollen gang. De eerste voorstellingen van de „Co-opera-tie" liggen dan alweer achter den rug, de Italianen zijn op komst, het Concertgebouw en het Utrechtsch Stedelijk Orkest hebben hun abonnementsconcerten hervat en het Residentie-orkest zal ook wel niet lang meer laten wachten.

Te Amsterdam is Monteux weer de leider voor een paar maanden; Mengelberg is in het laatst van de vorige maand wederom naar de Vereenigde Staten vertrokken en zal daar tot ongeveer half Januari blijven.

Te Utrecht is in het laatst van de vorige maand de burgemeester zeer gehuldigd bij gelegenheid van zijn twaalf en een half-jarig ambtsfeest. Dat hoort niet thuis in Caecilia, zult Gij misschien zeggen en dan zou ik U gelijk moeten geven; een verslag van dit feest moet Gij maar liever in het Utrechtsch Dagblad zoeken.

Maar wel mag ik hier den Burgemeester huldigen als man wien de kunst zeer veel verschuldigd is. De Heer Fockema Andreae is iemand van groote muzikale eruditie, een beminnaar van de Toonkunst; en hoe dit het Kunstleven in een stad ten goede komt behoef ik niet nader uiteen te zetten. De Muziekgeschiedenis leert ons hoe ten allen tijde de kunst en de kunstenaars den steun van de grooten en de machtigen der aarde niet hebben kunnen ontberen. Juist het feit, dat wij in ons land zoo vaak met autoriteiten opgescheept waren (en nog zijn) die lak aan de kunst hadden, heeft belemmerend op den groei van het kunstleven gewerkt en daarom kunnen wij niet erkentelijk genoeg zijn jegens autoriteiten, die de belangen van de kunst altijd zoo krachtig voorstaan; dus Burgemeester Fockema Andreae onze hulde, al is het dan ook post festum.

Naar aanleiding van het vorige Praatje aangaande het Hollandsche Concert in het Kurhaus op 31 Augustus heb ik een raren brief ontvangen van iemand die heel boos is over de beleediging, Professor Schneevoigt aangedaan. Nu wordt het hoe langer hoe mooier! Wanneer Professor Schneevoigt composities van Nederlanders speelt, dan is hij als kunstenaar verplicht zijn goede zorgen aan die stukken te wijden en dan heeft hij volstrekt geen recht om ze zoo te verknoeien. De schrijver van den brief (die zooals gewoonlijk natuurlijk niet zijn naam durft te noemen) zegt dan: het zullen er dan ook composities naar geweest zijn! Zeker, mijnheer, als U met Uwe geheele familie ooit een compositie maakt die half zoo goed is als Diepenbrock's „Clair de Lune", zal ik het buitengewoon kranig vinden. Maar bovendien: slechte composities moet de heer Schneevoigt, als hij een goed kunstenaar is, eenvoudig weigeren, maar van het oogenblik af dat hij werken gekozen heeft rust op hem de verplichting ze zoo goed mogelijk ten gehoore te brengen en ze

Sluiten