Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

279

fuga: „Nun ist das Heil . . .".

Naast deze composities, waarin de grootste middelen van vocale polyphonie (twee koren) gebruikt zijn, vulden zangen van meer intiem karakter het denkbeeld aan, dat men van den meester gekregen had en wel het grootsch-eenvoudige „Eile mich, Gott, zu erretten", voor alt met orgelbegeleiding de treffende Paasch-dialoog: ,,Weib, was weinest du?" met de ontroerende klacht van Maria Magdalena „Sie haben meinen Herren weggenommen", en de gedurfde chromatiek, de eigenaardige spanning in de basvoering bij de uitroepen van erkenning: „Maria" — „Rabbuni!" of het zeldzaam innige tafreel van den twaalfjarigen Jezus en zijn ouders.

Van de meesters tusschen Schütz en Bach werden eenige cantates uitgevoerd, die de verschillende stijlen van hun tijd goed karakteriseerden. „Wachet auf, ruft uns die Stimme" (1664) van Franz Tunder, voor sopraan en drie violen vereenigt Noordduitsche koraalkunst met Italiaansche musiceervreugde in eenvoud van uitdrukking. Treffender taal spreekt zijn leerling (ook opvolger als organist van de Mariakerk te Lübeck) Dietr. Buxtehude. In zijn cantate: „Wo soll ich fliehen hin?" wijzen het wijd-ontplooide basarioso en de dikwijls geheel zelfstandige begeleiding vol uitdrukking van de strijkers duidelijk naar Bach en Handel.

Weder een geheel andere stempel draagt het werk in één deel van Joh. Phil. Krieger „Die Gerechten werden weggeraft." Na een zeer mooi dooreengevlochten stemmenweefsel, waarbij in 't midden successievelijk invallende solostemmen een nog rijkere versiering vormen, voortdurend slechts door de generaalbas begeleid, wordt het hoogtepunt bereikt bij de in vast aaneengesloten koorzetting ontroerend verklankte slotwoorden: —„und ruhen in ihren Kammern". De begeleiding krijgt in de oorspronkelijke bezetting met violetta, gamba's en fagot een zeer bijzondere kleur.

— Een minder belangrijk werk van Fr. W. Zachow kon interesseeren door de obligate harppartij. —

Van J. S. Bach zelf werden niet minder dan elf cantates ten gehoore gebracht ( met inbegrip van de in de feest-godsdienstoefening op Zondag uitgevoerde cantate „Gott der Herr ist Sonn und Schild.")

„O Jesu Christ . . ." is eigenlijk een motet, zonder continuo, alleen voor blazers en koor gezet (cantus firmus in de sopraan), een enkele koraalstrofe met instrumentaal voor- en naspel. Het is een van Bach's laatste werken — bij den grootsten eenvoud ontzaglijk indrukwekkend. — Een sterke tegenstelling ermede vormt de reeds in Weimar (1714) geschreven, overmatig breed opgezette cantate „Ich hatte viel bekümmernis", die slechts weinig verschilt van den toen heerschenden stijl. Eveneens behoort tot een vroegere scheppingsperiode de Paaschcantate „Christ lag in Todesbanden"; door de zeven coupletten heen wordt hierin het koraal met steeds nieuwe variaties voorgedragen, — een oneindige rijkdom van wisselende rhythmische beweging en klankmogelijkheden door het voortdurend verschillend optreden der instrumenten en zangstemmen. Terwijl de grondtoon dezer muziek bijna steeds ernstig is en af en toe van mystieke diepte, kreeg men in de cantate „Halt im Gedachtnis Jesum Christ", die de opstandingsgedachte omspeelt, een zeldzaam harmonieus blij gestemd werk te hooren. Bijzonder mooi is de kunstrijke „aria", waarin de door blazers begeleide bas zijn bovenaardsche rust ademend „Friede sei mit euch" telkens weer tegenover het bewogen koor der overige stemmen (met strijkers) „Wohl uns, Jesus hilft uns kampfen" doet uitkomen. — In „Ihr werdet weinen" is de voor levendige sprongen maar ook voor een zachte cantilene gebruikte „flauto piccolo" zeer merkwaardig. — Tot het rijpste en heerlijkste uit Bach's grooten cantaten-schat behoort de Paaschmuziek „Bleib bei uns,

Sluiten