Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

151

nige beteekenis hebben. Wanneer men de corruptheid van het verhaal in aanmerking neemt, kan er iets overblijven, dat het verleden meer naar het heden brengt, dan wanneer de feiten onmiddellijk waren opgeteekend. Mogen de verhalen uit de verre oudheid, die alléén op mondelinge overlevering berusten, al zeer onnauwkeurig zijn geworden, de geschiedschrijver der feiten uit de laatste eeuwen is meer in staat door combinatie de ware toedracht te reconstrueeren. Hij is in den regel in 't bezit van meerdere gegevens, die wèl oorspronkelijk zijn, in tegenstelling van die van vroeger, waarbij men soms langs verschillende wegen op één bron stuit, waarvan men de betrouwbaarheid niet altijd hoog kan stellen.

Mocht de kans klein zijn, dat het volgende ons reeds op de een of andere wijze heeft bereikt, voor wie het leven van Beethoven uit psychologisch oogpunt der studie waard is, wil ik gaarne trachten weer te geven hetgeen ik als het ware uit den mond mijner moeder heb opgeteekend (voor het laatst in 1917), die op haar beurt van Ferdinand Hiller in Keulen (omstreeks 1870) onder meer op haar compositielessen het volgende sobere verhaal heeft vernomen betreffende een kennismaking van deze met Beethoven, al was deze kennismaking dan ook een paar dagen voor diens sterven.

Met zijn leermeester Hummel op een kunstreis zijnde, ging hij met dezen ijlings naar Weenen, toen Hummel hoorde van de ernstige ziekte waaraan Beethoven leed. Hiller werd door Hummel aan Beethoven voorgesteld als een jong pianist. Bij het verdere gesprek tusschen Beethoven en Hummel was Hiller getuige van klachten, die van Beethoven's| lippen kwamen en waarbij hij zich bitter uitliet over miskenning, die zijn deel was geworden. Een paar dagen later werd Hiller wakker door het beieren van klokken. Naar de beteekenis hiervan vragende, vernam hij den dood van Beethoven.

Een enkele aanteekening wil ik hieraan

toevoegen. Hiller, die in 1811 geboren is, was in 1827 dus 15 of 16 jaar. Van Hummel weten wij, dat hij zich bij dit bezoek met Beethoven heeft verzoend als gevolg van het berouw over den naijver, die hem vijandig had gemaakt. Van deze verzoening (die volgens andere gegevens grooten indruk op de omstanders maakte), herinner ik mij niet, dat Hiller aan mijne moeder heeft meegedeeld. Misschien was Hiller er ook niet bij tegenwoordig en werd hij later in de sterfkamer binnen gelaten. Van Hummel's vrouw weten wij, dat zij Beethoven het gelaat heeft afgeveegd in den doodsstrijd, die twee etmalen duurde.

Met die „miskenning" is natuurlijk bedoeld die van Weenen in 't bizonder en als zoodanig is de mededeeling daarvan aan Hummel een blijk, dat de vriendschap tusschen hem en Beethoven al weer spoedig van vertrouwelijken aard was, waarbij de tegenwoordigheid van den jongen Hiller zeker geen bezwaar was als van iemand die in de gevoelens van zijn leermeester deelde, onder wiens auspiciën de kunstreis gebeurde. Zeker was Beethoven niet bewust, dat er via dezen jongen man (en dan nog wel een eeuw later!) melding van zou worden gemaakt.

Tot slot is het mij niet duidelijk geworden of het gebeier der klokken inderdaad den dag na Beethoven's sterven(26 Maart) plaats greep of dat hier sprake is van den dag der begrafenis (29 Maart.) Maar dan zal Hiller zeker niet onkundig zijn geweest van den dood van den Grootmeester, al had hij niet vermoed, dat Weenen zich opmaakte tot een grandiose begrafenis (die 's avonds plaats greep) als om goed te maken wat het den levende had te kort gedaan.

Naar gezegd wordt, zal langs den weg van Ferd. Hiller, die in 1885 is overleden, nog wel meer bizonders uit te vinden zijn van het leven van Beethoven. Zoo hoorde ik van mijn moeder ook nog een episode betreffende het dicteeren van gegevens in één zijner symphonieën, terwijl B. aan een

Sluiten