Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

205

heeten ook de kort geleden in eender formaat en omslag uitgekomen Handelingen van het tweede, het Bossche van '25. Hun late verschijnen had een vergeefsch wachten op kopy van Prosper Verheijden tot oorzaak en wordt hem door de redactie terecht verweten; maar door de betrekkelijk lange tusschenruimte krijgen wie tot het auditorium behoorden een des te mooiere verlevendiging van goede heugenis, en anderen kunnen zich nu des te minder vergenoegen met hun herinneringen van de verslagen. Naar onze berichten mag ik evenwel verwijzen, omdat veel exemplaren van hun nummer waarschijnlijk niet weg zijn, dat heeft een tijdschrift toch maar boven een courant vóór. Ik ga ze hier en daar wat aanvullen, niet de lezingen nóg eens excerpeeren. Het boek, dat welverzorgd is en een deftig maar ook innemend uiterlijk heeft, boeit met afbeeldingen, het congresverhaal en zelfs de namenlijsten, toont een paar opstellen zeer gegroeid, en geeft er twee die de vergadering miste, daar hun auteurs hoffelijk spreekgelegenheid aan spraakzame Zuid-Nederlanders afstonden. Zoo vernam men niet dat van den Amsterdamschen klokkenist Frans Hasselaar, een volhardend streven naar verheffing der torenmuziek in de hoofdstad en naar verbetering harer middelen te verwachten is; ook niet dat de Nijkerksche klokkenist Joh. W. Meyll (wiens onderwerp een korte, volgens de beginselen van Breithaupt gegeven verklaring der op dit congres door niemand behandelde technische speeleischen meebracht) samenwerking zijner kunstgenooten zoekt om Nederlandsch onderwijs en getuigschrift te bezorgen voor onze klokkenspelers en te bevorderen dat zij zich ontwikkelen naar eigen volksaard en ook in Vlaanderen optreden gelijk de Vlaamsche ten onzent. Die twee stukken zouden, wat vlug voorgelezen, samen nog geen kwartier hebben gevergd. De verzameling bevat meer beknopte bijdragen: Brandts Buys' documentatie der hier te lande toenemende belangstelling (elf nieuwe spellen en dan de her¬

stellingen en plannen), mr. A. Loosjes' pleidooi voor het recht van den tijdgeest en van de muziek bij torenverbouwing, de herinneringswoorden door den heer Brom gesproken over wijlen Van der Hegge Zijnen en diens nagelaten werk, jhr. mr. Van Sasse van Isselt's geschiedenis der vorige klokkenspellen in den Bosschen St. Janstoren, Johnston's aardigen maar vagen kout over de tegenwoordige manier om klokken te stemmen en over hun boventonen, waarvan hij blijkbaar niet wist dat ook en vanouds wel eens met succes de groote terts is verschaft, en Crevecoeur's aanduiding van het bruikbare der tamelijk algemeen afgekeurde kolossale pianotoetsen als beiaardklavier en van het nut der verschuifbare speelwerktrommelnootjes voor maaten tempoverandering. Matigen omvang heeft ook wat Rice vertelde van klokkenspellen in Amerika (geen vóór 1922, drie jaren later 13 aanwezig, 6 op komst) en Wooding Starmer van 10 in Groot-Brittannië, voorts van het oud-Engelsche musiceeren met luiklokken (change ringing) en van zijn universiteitslessen te Birmingham, ook in klokstemmen (toch zeker alleen theoretisch?) en zijn opleiden van beiaardiers en beiaardcomponisten, en zijn meer dan een kwarteeuw maandelijks gehouden beiaardlezingen voor allerlei genootschappen. Mede niet veel plaats vroeg dr. Vas Nunes voor zijn naderhand nog eens gegeven en hier geresumeerd overzicht zijner onderzoekingen, die hem toonden dat klokken niet buiten de wet der dynamische gelijkvormigheid staan; dr. Van der Eist voor zijn in het boek met foto's toegelichte grepen uit eigen klankanalyse-studiën, waarbij zijn staafresonator met trillende staaldraadjes te pas kwam na zijn aan een stok gezwaaid sternfluitje tot demonstratie van de schijnbare toondaling en -rijzing, het spreken der van ons af en naar ons toe slingerende klokken ('t naar Doppler genaamde verschijnsel daf Buys Ballot in den oudsten tijd onzer spoorwegen onderzocht met een locomotief en in Caecilia beschreef),Van Westrheene

Sluiten