Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

242

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

van twee boeken. Het eerste handelt over Bruckner als leeraar in de theorie der muziek en harmonieleer; het andere bevat herinneringen van den schrijver aan zijn verblijf te Weenen, aan de vele mooie concerten en meer of minder bevredigende opera- en tooneelvoorstellingen die hij mocht bijwonen. Daartusschen staan dan opstellen van filosofischen aard, opmerkingen over het hedendaagsch muziekleven, over het onderricht in de toonkunst en zoo meer. Een bonte verscheidenheid, vereenigd tot een aangenaam te lezen geheel.

Ik wil niet verzwijgen, dat het eerste gedeelte, waarin zooveel wetenswaardigs over Bruckner staat, mij veel meer geïnteresseerd heeft dan het tweede. De uitspraken in dat tweede deel zijn volstrekt niet alle nieuw en oorspronkelijk, en zij wekken nog al eens tegenspraak. Zoo b.v. de vele uitingen van fel antisemitisme die herhaaldelijk voorkomen. En nu zegt Klose wel: ik ben wèl tegen de joden, niet tegen de semieten, en hij tracht dan te bewijzen wat hij daarmee bedoelt, maar klemmend zijn zijn argumenten niet! Ik zou liever ze als sofismen kwalificeeren.

Wat daarentegen weer uiterst sympathiek aandoet, is des schrijvers onverbiddelijke oprechtheid en koele objectiviteit, waar hij een oordeel over zichzelf en over zijn arbeid als toonkunstenaar uitspreekt. Dat zóó te doen is weinigen gegeven; en van die weinigen hebben dan nog maar zeer enkelen den moed, zich zoo onbewimpeld te uiten.

Dat stempelt Klose tot een oprecht en eerlijk, en daardoor eerbiedwaardig mensch.

En wie nu, na de lectuur van dat tweede deel, dien indruk gekregen heeft, dien wordt het eerste dubbel waard, want hij begrijpt, dat het niet anders kan: de schildering van Bruckner als persoon, als kunstenaar, als leeraar is ook waar en oprecht tot in het uiterste.

Verwondering wekt het te vernemen, dat Bruckner bij zijn onderwijs, zeer streng en zonder eenige afwijking toe te staan, de

droog-schoolmeesterlijke leer van Sechter volgde. De voorbeelden die Klose geeft, toonen hoe benauwd de leerling het in dat dwangbuis moet hebben gehad.

Het mag niet worden verzwegen: ook Bruckner toonde zich bij het onderricht in de harmonieleer en het contrapunt behebt met dezelfde schoolmeesterachtigheid; ook dat het verwonderlijk is hoe hij het artistieke element ten eenenmale uitschakelde.

's Avonds kon men Bruckner steeds vinden in (meestal hetzelfde) bierlokaal waar hij zich te goed deed aan „a Puls" zooals hij zijn glas pilsener noemde. Hij verlangde dan dat zijn leerlingen hem daar gezelschap hielden, hetgeen vaak op een straf gelijken ging, omdat zijn gesprekken zich dikwijls in beperkte ruimte en laag bij den grond bewogen. Wanneer Klose eens niet aan den „Stammtisch" kwam omdat opera, concert of Burgtheater hem onweerstaanbaar lokten, was Bruckner ernstig verstoord en trachtte zijn leerling duidelijk te maken, dat pilsenerbier veel gezonder was dan het bijwonen van een opera.

De waarde van dit eerste deel ligt dan ook juist daarin, dat het Bruckner met al zijn zwakheden en eigenaardigheden, zijn buigen voor de machtigen, zijn tyranniseeren van zijn leerlingen, onverbiddelijk in het schelste licht plaatst.

Het is een onmisbare aanvulling van alle biografieën.

llltilltlt1I11ltll1lllllllt111ltlllllllliill111111l1linilllltllELIlllllllll»IllIllllillIllllLILilllltltlllI!lllTI1lltllllllIllIillllI»ltllllimilI

Klokkenistenwedstrijd.

Voor den hier in Juni vermelden eersten Nederlandschen Klokkenistenwedstrijd, dien de Klokkenspelvereeniging 29 Augustus zal houden te Utrecht en 30 Augustus in Den Bosch, hebben zich negen deelnemers opgegeven. Zij moeten een door de jury gekozen stuk spelen, in Utrecht Roudino van J. W. Kersbergen, in Den Bosch Praeludium en Menuet van Jef van Hoof, vervolgens een compositie van eigen keus en een eigen bewerking van een Nederlandsche volkswijs. Twee hunner zullen in Utrecht en in Den Bosch optreden; zeven

Sluiten