Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

dus vond men: de groote terts is door de natuur gegeven, de kleine terts is uit de groote gemaakt, met inkrimping, eigenlijk defectaanbrenging, als ik het maar eens wat kras mag formuleeren: mol is de modus van het defect.

Er bestaat een Duitsch humoristisch epos ,,Anton Notenquetscher". Daarin wordt bij wijze van een verrassingsvloek geroepen: heil'ger Helmholtz. Het is dan in 't geheel niet te doen om kritiek op Die Lehre von den Tonempfindungen. Maar belijders van het dualistische duur- en molgeloof, Hauptmann's medestanders (die zeker schaarsch waren bij zijn leven) zullen zich wel verbaasd hebben toen Helmholtz het ook onder musici machtige prestige van zijn meesterlijk en boeiend ontdekkerswerk gaf aan de generaalbas-mineur-opvatting.

Wat hielp het dat hij waarschuwde volstrekt geen inferioriteit van mol te willen betoogen? Hij legde toch uit dat mol niet zoo zuiver is als duur, immers met zijn kleine terts dissoneert tegen de groote terts, den boventoon van zijn basis, en buitendien storende combinatietonen geeft, vooral tweespalt van differentietonen, de door Tartini het eerst vermelde tonen van het trillingenverschil tusschen intervallen die samenklinken. Hij vond mol een vertroebeld duur en bepaalde daarnaar zeer suggestief mineurs aesthetische waarde.

Maar duur heeft ook dissoneerende boventonen (zooals 't gezelschap gbd, egisb bij ceg); wij merken ze niet. En de combinatietonen die Helmholtz onderzocht, met een harmonium en een ervoor ingerichte sirene, laten zich op de tegenwoordige harmoniums nauwelijks waarnemen (andere, hier buiten spel blijvende, bij den tritonus, beter). Maar, zijn duur en mol elkanders tegenbeeld, dan moet, als de duurprime boventonen spreidt, de molprime (dus in a mol e) benedentonen bijeentrekken, wat werkelijk gebeurt. Benedentonen doen hooven kan mol nooit, en Riemann,

die (met eenige jongere geestverwanten) zich eerst verbeeldde ze te hebben opgevangen, bewees naderhand vernuftig dat ze door interferentie, samenvallen van bergen en dalen der klankgolven, elkander moeten vernietigen. Vandaar misschien de mol-eenzaamheid- en geheimzinnigheid. Overigens omvat het idee duur omhoog, mol omlaag al de contrasten van de twee toongeslachten: „Unten ist's dunkel, oben das Licht, Hass ist dort, hier ewiges Lieben."

Stumpf zag in dat de natuurwetenschap duur en mol niet verklaart en vroeg bevrediging in het besef van den duur- en den mol-drieklank als volkomen samensmelting. Hier zijn psychologische vragen die men wel nooit alle zal beantwoorden. Waarom voelen wij de prime met terts en kwint erboven of eronder als eenheid; waarom geen andere tonen? Waarom de tonica met haar onder- en bovendominant, den drieklank van de prime met dien van haar onder- en bovenkwint? Zal men het ooit weten?

Von Oettingen gaf van het begrip mol als symmetrisch omgekeerd duur (waarmee men zich niet zonder allerlei winst kan bezighouden door melodieën en harmonieën, liefst met bassleutel en in c te schrijven en dan het blad ondersteboven te draaien) nog tijdens Helmholtz een voortreffelijke toelichting met zijn Harmoniesystem in Dualer Entwicklung. En Riemann bracht die leer in praktijk, het best met zijn didactisch meesterstuk Vereinfachte Harmonielehre, tevens en vooral een eerste schooltoepassing van het onbetwijfelbare dat er maar drie tonale functiën zijn, tonica, dominant en onderdominant, die men in hun verschillende costumes en met of zonder hun voorloopers en gevolg herkent.

Menigeen zou Riemann's boek graag ontdaan zien van het duur- en moldualisme met zijn consequenties. Het zou dan veel hebben verloren. Men mag den leerling niet buiten een geloof houden dat hem

Sluiten