Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

87

hetgeen een niet goed te praten verzuim zou zijn! Deel 2, is een verheerlijking van het werk van Jaques Dalcroze, waarmee de schrijver zich hoogelijk ingenomen toont (het boekje is kort na 1903 geschreven; Dalcroze ging toen nog niet gebukt onder den banvloek, dien de Duitschers hem in 't eerste oorlogsjaar toeslingerden) en waaraan hij — zeer terecht — buitengemeene waarde hecht voor de muzikale cultuur der jeugd.

Een 16 tal uitnemend geslaagde illustraties verhoogen de waarde van het boekje.

Deel 5, is een der moeielijkst door te werken boeken van Seidl; hij is daarin wel zéér de duitsche filosoof met lange zinnen en nog langer tusschenzinnen. Maar.... wat hij schrijft is de moeite van het lezen en overpeinzen waard!

Gij, lezers, zult het niet steeds met hem eens zijn (zoo gaat het mij ook) maar Seidl is, in alles wat hij neerschrijft, „anregend"; zijn uitingen blijven u bij; gij gevoelt den drang ze te overdenken en u een zelfstandige meening er over te vormen.

Dat kan men waarlijk niet beweren van alle moderne schrijvers over muziek.

De Straussiana ■— de naam duidt het aan — handelen alle over Rich. Strauss, of over onderwerpen hem betreffend. De wetenschap dat de beide mannen van den knapenleeftijd af vrienden waren (TUI Eulenspiegel is aan Seidl opgedragen) geeft aanleiding 's mans eerlijke objectiviteit te bewonderen: waar hij het met Strauss niet eens is, zegt hij het ronduit.

Ten slotte: de Neuzeitliche Tondichter bevatten (in de twee deelen samen) 54 beschouwingen over vooraanstaande toonkunstenaars van den lateren tijd, van af Grieg en Bizet tot aan Schönberg en Hindemith. Ook dat alles is in de hoogste mate het lezen waard, en ook hier wordt de waarde van het boek nog verhoogd door een groot aantal, meest uitmuntende, enkele prachtige portretten.

Dictionnaire Pratique et Historique de la Musique par Michel Brenet. Paris: Librairie Armand Colin. Prijs niet aangegeven.

De naam Michel Brenet is een pseudoniem voor Marie Bobillier. De schrijfster is, vóór zij haar arbeid kon voleinden door den dood verrast; het (geringe) gedeelte van haar taak dat nog te verrichten viel is overgenomen door M. A. Gastoué, wiens naam — voor hen die thuis zijn in de wereld der musicologie •— een waarborg voor goed en degelijk werk is.

Deze dictionnaire schakelt alles, wat op biografisch gebied ligt, uit; wie dus omtrent den een of anderen componist iets weten wil, zoekt in dit boek te vergeefs. Aan den anderen kant, geeft het, op zijn bijna 500 bladzijden, juist tengevolge van deze beperking, méér dan de meeste boeken van dien aard. Men kan het beschouwen als een Algemeene Muziekleer, zeer uitvoerig opgezet, en in lexicologischen vorm.

Wie een dergelijk boek moet bespreken, staat voor een moeielijk vraagstuk! Moet hij het van de eerste tot de laatste bladzijde doorwerken, en daarna zijn oordeel vellen? Die eisch ware, vooral omdat gewoonlijk zulk een beoordeelaar nog meer te doen heeft, onredelijk.

Ik heb getracht de oplossing te vinden als volgt: van de eerste 60 a 70 bladzijden heb ik zeer nauwkeurig kennis genomen, waardoor een oordeel over de werkwijs van de(n) auteur mogelijk was, en ik tevens een indruk kreeg van haar opvatting van „volledigheid".

Uit de vele andere bladzijden nam ik „steekproeven"; ik meen dat op deze wijs bet vormen van een juist oordeel heel wel mogelijk is.

Mijn indruk is deze: de schrijfster heeft haar taak breed en kloek opgevat, zij bezat ongetwijfeld die algemeene kennis die voor het verrichten van zulk een arbeid onmisbaar is. Zij kon, nu zij niet voor biogra-

Sluiten