Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Over Zang en Zangstudie. Contrasteerende bewegingen,

door

P. C. BREDERODE.

Velen onzer zullen zich nog wel uit den kindertijd een „kunststukje" herinneren, dat met de handen moest worden uitgevoerd. Die werden daartoe op eenigen afstand van elkaar, op de borst gelegd en het was er dan om te doen, de rechterhand zeer snel in horizontale richting eenige malen een paar d.M. van het lichaam te verwijderen en weer naar de borst te brengen, terwijl de linkerhand niets anders deed, dan snel op en neer bewegen in de richting borst-—buik, en omgekeerd. Het vlak van de handen bleef daarbij steeds verticaal gericht. Hoe eenvoudig dat kunstje ook geleek, het kostte heel wat oefening, eer men het gladjes kon uitvoeren.

De oorzaak ligt natuurlijk in de moeilijkheid voor den geest, om bewegingen in zoo-zeer verschillende richtingen, behoorlijk te regelen. De pogingen, om daarin te slagen, gaven dan aanleiding tot de dolste „zwaaiingen" van de handen, hetgeen natuurlijk de hilariteit niet weinig opwekte.

Dezelfde principieele zwarigheden moet ook een dirigent van een orkest ondervinden, wanneer hij met de rechterhand blijft dirigeeren, terwijl de linker b.v. aan de violen het teeken geeft: „zachter spelen". Ik heb zoo'n idee, dat zulke gecombineerde hand- en armbewegingen behoorlijk moeten geoefend worden, vooral wanneer men als orkestleider het maken van hoekige bewegingen wil vermijden.

Datzelfde „bewegingsprincipe" nu treedt ook aan den dag bij het beoefenen van de zangkunst.

Ik weet wel, er zijn er talloos velen, die „zingen leeren" heel eenvoudig vinden. Ze zingen na de training van den adem de opgegeven oefeningen, de vocalises, de solfèges en daarna gemakkelijke liederen en aria's, die dan gaandeweg moeilijker wor¬

den. Maar anderen ook werken daarbij met den geest, maken zich verschillende spierwerkingen bewust. Dat is vooral noodig, als fouten in de toongeving moeten verbeterd worden. Het voorzingen door leeraar of leerares alleen is meestal niet voldoende.

Eén van die fouten is, vooral voor zangers uit noordelijke landen, het zingen met onvoldoend geopende keel. Dat openen van de keel is voor de Italianen eerste eisch, waarin zij trouwens, door het eigendommelijke van hun taal, veel gemakkelijker slagen dan wij.

We weten, dat letters als onze g, ch en de keel-r bijzonder geschikt zijn, om de keelopening vrijwel te sluiten. Ik herinner me, voor jaren in een Duitsch tijdschrift te hebben gelezen, dat de oorzaak van „keelsluiting" ook moet gelegen zijn in een gevoel van zelfbehoud. Doordat het klimaat in onze streken zooveel guurder is dan b.v. in Italië, worden onze edele ademhalingsorganen, de longen, veel meer bedreigd. En bij koude en snerpende winden, bij tocht („ce cinquième vent des Pays-Bas", zei eens een geestig Franschman) is de mensch als bij instinct direct geneigd, aan die gevaarlijke invloeden den weg af te sluiten door keel en mond dicht te persen. Menigeen plaatst ook nog de vlakke hand beschermend tegen den hals.

In ieder geval is die neiging tot sluiting bij ons een nadeel. Toen een mijner leerlingen in Italië vertoefde en hij kennis maakte met enkele Italiaansche operazangers, zeiden ze ronduit: „Jelui, Hollanders, zingen bijna altijd met gesloten kelen."

Het is een feit, dat er zangers en zangeressen zijn, die absoluut niet weten, hoe het daarmee bij hen gesteld is onder het zingen.

Dat kan nu een voordeel zijn, wanneer hier sprake is van een soort „begaafdheid", zooals die bij de Zuidelijke volken dikwijls voorkomt, een van nature vrij geopende keel. Is dat niet het geval, dan moet wel

Sluiten