Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HO

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

kapel van Frederik den Groote zal bedoeld zijn, en wij vernemen van partijen zonder teekens. Johann Sebastian had er in zijn Leipzigsche wèl gezet als er niet te veel haast was. Maar er bestond dan toch vermoedelijk hier en daar een ensemble, dat solisten tot voorbeeld kon strekken. Met hen schijnt het dikwijls een gruwelijke knoeiboel te zijn geweest.

Over de taak van den generaalbasbegeleider, die menigmaal vier uren naar zijn intervallencijfers op de klavecimbel improviseerde, nooit een tacet had en van alle débacles den smaad, van geen redding den lof kreeg, heeft Philipp Emanuel een afzonderlijk boek als tweede deel van zijn „Versuch" geschreven en in 1762, negen jaren na het vorige, drie na den eersten herdruk daarvan, voor eigen rekening uitgegeven. Het zal den accompagnateur (en dirigent aan de klavecimbel, waar hij door armenheffen al spelend ook zichtbare leiding gaf) voortreffelijk wegwijs gemaakt hebben met een minutieuze behandeling van tallooze gevallen die tot vermindering of verdwijning der normaal vierstemmige, meermalen ook vollere continuoharmonie kunnen dwingen, daar men dikte benevens verkeerdheden tegenover de genoteerde partijen met hun „lange voorslagen" en wat dies meer zij moet vermijden, zoodat de bascijfers herhaaldelijk wijzen wat men juist niet mag aanslaan. Het verschaft ook allerlei wenken om waar de gelegenheid zich voordoet accoorden (die met hun hoogste tonen een muzikale reeks dienen te vormen) of hun (bij 't operarecitatief gebruikelijk arpeggio) te vervangen door melodieuze figuren en imiteerende beantwoordingen, „Musik", waaronder strengheid zooals ook die van fuga's wordt verstaan, af te wisselen met „Geschmack" dus vrije gevoeligheid of sierlijkheid. De schrijftrant is boeiend, meer dan in het eerste boek, ijverend soms, en dat zeker almee door persoonlijke wederwaardigheden, herinneringen aan hofvirtuozen en

amateurs die prima vista begeleid wilden zijn uit een onbecijferde baspartij; denkelijk heeft de koning-fluitblazer zelf wel genoeg tot zijn ergernissen bijgedragen.

Heel wat interessants doet het boek weten van de toenmalige praktijk. Maar het is geen document der destijds voormalige.

Dat evenwel dacht en denkt men nog er in te vinden. Dadelijk aan het begin staat een soort wet die berucht moest wezen om averechtsche toekenning van terugwerkende kracht:

Die Orgel ist bey Kirchensachen, wegen der Fugen, starken Chöre, und überhaupt der Bindungen wegen unentbehrlich. Sie befördert die Pracht und erhalt die Ordnung.

So bald aber in der Kirche Recitative und Arien, besonders solche, wo die Mittelstimmen der Singstimme, durch ein simpel Accompagnement alle Freyheit zum Verandern lassen, mit vorkommen, so muss ein Flügel dabey seyn. Man hort leyder mehr als zu oft, wie kahl in diesem Falie die Ausführung ohne Begleitung des Flügels ausfallt.

De tusschenzin van die Mittelstimmen mocht wel duidelijker zijn, maar behoeft ons niet op te houden. De slotzin toont, dat men te Berlijn en misschien ook elders onder kennelijken invloed der opera het orgel twaalf jaren na J. S. Bach's dood als ongeschikt was gaan vinden voor begeleiding van recitatieven en aria's die men dan maar gaf met bas alleen. Philipp Emanuel heeft gelijk: beter cembaloharmonie dan zoo'n kaalheid.

Maar stellig hebben wij vooral door deze bewering van hem nu bij Johann Sebastian's kerkmuziek den vleugel, dien men als „historisch" aanvaardt, ofschoon orgel in recitatief en aria naar ons begrip mooi is.

Hij voelde heel anders als Johann Sebastian, was ook geen organist maar cembalist en clavichordist en had graag zoo weinig mogelijk te doen met dat volgens

Sluiten