Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

187

gaarne geziene figuur, om zijn manieren, zijn optreden en (bovenal!) zijn onderhoudende gesprekken.

In 1778—81 liet Vogler drie jaargangen verschijnen van zijn Betrachtungen der Mannheimer Tonschule, waarin hij — met een grooten rijkdom aan voorbeelden — zoo diep mogelijk ingaat op allerlei theoretische problemen, vooral op de wetten der muzikale harmonie. Vogler omschrijft alle stijlen: Concert-, Theater-, en Kerkstijl; geeft analyses van verschillende werken (o.a. van het Stabat Mater van Pergolesi) geeft aanwijzingen voor de orchestratie, het gebruik der instrumenten enz., enz. Meer dan 500 bladen met notenvoorbeelden verduidelijken zijn bedoelingen.

Hij had een eigenaardige neiging, ten opzichte van de taal: alle vreemde woorden verving hij door (vaak gezochte en verwrongen) duitsche; hij schreef bovendien juist zooals hij sprak, waardoor een aantal uitdrukkingen in zuidduitsch dialect zijn tekst binnenslopen. De Noord-Duitschers, vooral de scherpe Berlijners, bespotten hem daarom fel.

Hoe ver die spot ging, moge blijken uit de volgende recensie: Nicht leicht kann ein junger, rustiger Ignorant, der den Trieb zur Autorschaft fühlt, mit mehr Stolz und Eigendünkel in der Welt auftreten, als Herr Georg Joseph Vogler. Das possierlichste am ganzen Werk ist die „Tonmaszigung" (Temperatur) .. . Der Verfasser hat entweder ein, über alle Menschlichkeit erhabenes Ohr, oder er hat — wie eher zu glauben — gar kein musikalischer Gehör.

Zoo gaat het nog lang door, om te eindigen met:

Ei, Herr Vogler! Sie haben sich schon 23 Jahre mit Musik beschaftigt, und schamen sich nicht und machen sich so lacherlich. Schande urn die Musik wenn solchem Theoretiker und Praktiker so viel Schutz angediehen wird.

Die scherpe taal lokte protesten uit! Van

Fr. Merger en L. Kornacker, leerlingen van Vogler, maar ook van dezen zelf. De drie verhandelingen zijn niet anders dan fradere verklaringen van de Tonschule.

Spot en tegenwerking kon den stroom van leerlingen niet tegenhouden; zij kwamen van alle kanten en beleden allerlei godsdiensten; om dit laatste feit heette de school van Vogler (N.B. den „abt") de Luthersche, in tegenstelling met die van Holzbauer, waar, als regel, alleen katholieken werden toegelaten.

De „abt" koketteerde gaarne met zijn geestelijke waardigheid: hij leidde de repetities gekleed in zijn violette manteltje, het kalotje van dezelfde kleur op het hoofd. Was hij ergens als tafelgast genoodigd, dan zond hij den knecht met een gebedenboek vooruit.

Zijn repetities waren eindeloos en uitermate vermoeiend; ook prikkelde hij de leden van de hofkapel door zijn optreden en door de manier waarop hij zijn aanmerkingen maakte. Dientengevolge mochten deze hem niet lijden; het ongunstige oordeel, dat Mozart over Vogler velde, zal wel voor een deel onder dien invloed zijn ontstaan. Mozart had immers, onder de leden der kapel, een aantal goede vrienden.

Dan was het oordeel van Ludwig Junker Ruhpoldsdorf anders; deze schreef over Voglers spel, dat het kraftvoll und brillant was, roemde zijn zekerheid en zijn Fertigkeit zum Erstaunen. Dat oordeel krijgt dubbele waarde, wanneer wij weten, dat het is uitgesproken door een protestantsch (zeer muzikaal) predikant.

Hoezeer Vogler gezien was bij het hof, getuigt het feit dat bij de uitvoering van zijn declamatorium Lampredo, tekst van Lichtenberg, de landgravin Louise een der partijen vervulde en dat de erfprins dirigeerde.

Altijd tuk op roem en glorie, wilde Vogler dat zijn systeem, waartegenover de Duitschers vijandig stonden, door de bui-

Sluiten