Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

202

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

tot het allerergste wat ik heb moeten beleven op het gebied van kunstschennis!

Gelukkig heb ik de vrouw nimmer meer ontmoet; alleen de herinnering is gebleven. En die geeft reden tot verheugen! Wanneer ik bedenk hoe het publiek veertig jaar geleden zulk een knoeister huldigde, en dan mij voorstel, hoe het haar prestaties tegenwoordig opnemen zou, kan ik verklaren: wij zijn een heel eind verder gekomen! Het concertpubliek is vooruitgegaan in smaak, oordeel en aesthetisch bewustzijn; het zou een „Diva" als door mij beschreven, onder geen voorwaarde meer op het podium dulden.

iiiiiiÉiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiïiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiui i miniit mi iiiiiniiiniïitrimRi 111 n itrnmntfTiiiirtfntii nrï

K. N. T. V.

De Kon. Ned. Toonkunstenaarsvereeniging hield onder S. van Milligen's voorzitterschap 3 Juni 's morgens in Arnhem haar 53ste jaarvergadering. Na lange bespreking van een conflict in het bestuur (oppositie door den penningmeester A. H. Amory gevoerd, ook met een tot de vereenigingsleden gerichte protestnota, tegen een door het bestuur overgenomen fusievoorstel der gefedereerde genootschappen Het Ned. Muziek-paedagogisch Verbond en de Ned. Organisatie van Toonkunstenaren) werd besloten het geschil verder te behandelen in September, het fusievoorstel in beginsel goedgekeurd en de nadere beschouwing daarvan eveneens tot September verdaagd. Een bestuursvoorstel tot voortzetting van de relatie met het tijdschrift De Muziek, werd na korte gedachtenwisseling aanvaard en de bepaling der plaats van de volgende vergadering aan het bestuur overgelaten.

s Middags was er een concert, waarbij 't genootschap, dat tot eerste taak heeft belangstelling te wekken voor Nederlandsche componisten, nog ver van 't slagen leek. De regeling, waardoor Amory—Wagenaar's geabonneerden der Arnhemsche Vereeniging voor Kamermuziekuitvoerin¬

gen tegen luttelen prijs toegang hadden tot de jaarvergaderingsauditie, scheen gelijk de werkenkeus een volle zaal te waarborgen, maar in een half leege konden stadgenooten zich voor landgenooten schamen. Ook was de stemming nogal koel; hartelijkheid gewerd alleen Röntgen.

Wie zou hem niet genegen zijn, onzen volkskunst- en kamermuziekenthousiast, den hupschen oud-professor die zoo graag en gemakkelijk en goed schrijft als ooit? Zijn g mol kwartet van 1917 (toen hij 62 was) kon van nu wezen. Maar als men hem eens totaal niet kende, mocht men 't bijna vóór zijn geboorte dateeren, volgens den aard van Duitsch en lichtelijk Skandinavisch gekleurd romantisch eclecticisme, waarin het overal aanwezige persoonlijke heel wel past. Dat voelt men bij ballade-weemoedigheid-medelijden en vertroosting van een lang en tot den aanhef terugkeerend Lento, bij zomersch bladerengesuis van een luchtig Presto, bij geheimzinnig tastende glijding en eind-vervluchtiging van een sourdine-nachtstuk en bij deels elegische deels burleske varianten van 't begin, waarover de finale dansachtige verscheidenheden beeldt om na vizionairen zweem een ondanks routinetrekken beminnelijken samengang van jeugdigheid en veteranendom te besluiten.

De concertinrichters hadden zeker gemeend, dat Diepenbrock niet mocht ontbreken. Maar was 't wel juiste piëteit hem te doen vertegenwoordigen in een auditie zonder zang en orkest (of orgel)? De „Hymne" voor viool, iets als een albumblad van Wagner in folioformaat, is toch te zeer buiten zijn beteekenis.

Hendrik Andriessen's in '26 gecomponeerde violoncelsonate kwam de muziek van onzen tijd inluiden, werkelijk met klokkentonenverbindingen, gematigd maar boeiend dissoneerende, waarmee 't klavier een herfstavondcantilene van het strijkinstrument begeleidt. Eenigszins dergelijke combinaties heeft, nadat het vervolg, een

Sluiten