Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

214

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Compagne des soldats, a la guerre et par la guerre son röle s'étend et s'élève. Art héroique entre tous, elle est le seul qui dans la mêlée, devant le péril, en face de la mort, mérite une place et 1'obtienne.

Elle va plus loin: elle escorte, elle honore de ses marches funèbres, au dela du trépas, les héros qu'elle y a conduits."

Ik heb mij wél gewacht, door te vertalen de waarde van dit citaat te verminderen. Men vindt het origineel in de Revue des deux Mondes van Nov.-Dec. 1916.

Maar van marschen alleen kan de militaire geest niet leven. Gelukkig bezitten we een schat van liederen: Pierre Lasserre's Chants de guerre, Valerius' zangen, Schumann's Zwei Grenadiere en zijn Blondels Lied. Met dit laatste lied, dat Richard Leeuwenhart en den minstreel bezingt, sluiten we den kring van vorstelijke kunstbeschermers en dit opstel. in:v,7iiv,Vi\:ViVil,,iV,v,l,iil,,i,,l,,,l,'<',l,v,i,il,'i',l,'il,l,',',l,iini[ii!iiiii!iii[]ii;ii)i;i iiiiiiniiini üiiiüimiiiMiiiiiiiiKininiiiiiiiiniii

Een muzikale familie te Groningen

door S. KALFF.

IV.

(Vervolg van pag. 200.) Aan den Engelschen musicoloog Charles Burney, die hem te Groningen bezocht, stelde hij een lijst van zijne werken ter hand, en gaf eene vertaling van diens journaal onder den titel „Dagboek eener muzykale reize door Vrankryk, Italiën, enz.' Als criticus betoonde hij zich vaak een scherp en vinnig beoordeelaar, doch nam niet zelden daarbij de voorzorg om zich van een schuilnaam te bedienen. Zoo publiceerde hij onder het pseudoniem Conrad Wohlgemuth in Marpurg's Kritische Briefe tifoer die Tonkunst eene reeks biografische aanteekeningen over de Nederlandsche musici van zijn tijd, en vele daarvan waren gekruid genoeg. De muziekkenner en muziekkroniekschrijver wijlen J. W. Enschedé, die deze aanteekeningen publiceerde in het „Tijdschrift voor Noord-Ne¬

derlands Muziekgeschiedenis (VIII bl. 146) noemde ze een „precieus document", welke een beeld, al was 't ook een eenzijdig en bevooroordeeld beeld gaven van inheemsche musici in het midden van de 18de eeuw. Enkele vorstelijke namen compareerden in de rij, zooals die van prinses Anna, gemalin van den stadhouder Willem IV, van welke men leest dat zij eene voortreffelijke zangeres was, die in hare goede dagen iederen avond een concert placht te houden. De Duitsche organist was toen reeds zoozeer Groninger geworden, dat zijne geschriften niet vrij waren van lokaal-patriotisme, b.v. waar hij Groningen door het bezit van uitnemende dilettanten bij andere provinciesteden aan de spits plaatste. De aanteekeningen betroffen niet altijd de muziek, maar ook het bijzonder leven van den beoordeelden musicus. Over den Deventer organist J. W. E. Beeler (Böhler) verneemt men b.v., dat hij de bruidsgift van zijne tweede vrouw, ongeveer een halve ton, met de alchymie en den brandewijn er door bracht, zoodat hij tot de „jammerlichste Armuth" verviel. Van een anderen vakgenoot, den organist Hurlebusch, wordt verhaald dat hij als een pronker in 't zwart fluweel liep, met witzijden kousen en vergulden degen, terwijl schatrijke kooplieden in dezelfde stad (Amsterdam) zich uiterst modest kleedden. Eveneens te Amsterdam hield zich op de Italiaansche componist Locatelli, van wier. werd aangeteekend dat zijne dienstmaagd hem zoo goed wist vast te houden, dat hij den terugweg naar Italië niet vinden kon en een bestaan moest zoeken in den verkoop van „echte Romeinsche vioolsnaren".

Verder werd in deze notities gehekeld Radecker's Capricio voor klavier, als zijnde vol „abscheulicher Katzensprünge'Wan den componist S. W. Solnitz schreef Lustig, dat deze nooit componeerde dan wanneer hij dronken was of geld noodig had. Bij de vermelding van sommige muziekwerken werd de aanteekening geplaatst:

Sluiten